Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZITTEN

betekenis & definitie

ZITTEN, (zat, heeft of is gezeten), gezeten zijn : op een stoel, eene bank, op den grond zitten; bij de tafel, aan, het venster zitten; ik heb den heelen dag gezeten; te paard zitten; ga zitten, neem plaats;

— blijf zitten, sta niet op, ga niet weg;
— zit stil, beweeg u niet;
— uw vader zit te veel, neemt te weinig beweging;
— hier is het prettig zitten;
— de vogels zitten in de boomen, rusten daar op takken: de hond zit op zijne achterpooten; op zijne hurken zitten;
— (spr.) op heete kolen zitten, in spanning, in angst;
— op zware lasten zitten, zware lasten, veel huur enz. te betalen hebben;
— hier zit gij in Abrahams schoot, hier hebt gij het zeer goed;
— zich niet op den kop laten zitten, zich niet alles laten welgevallen;
— iem., elkaar in ’t haar, in de veeren zitten, handgemeen zijn, (ook) een scherpen pennestrijd voeren;
— iem. op de hielen zitten, hem van zeer nabij volgen, achternazitten;
— (gemeenz.) zij had den steek gevoeld, hij zat;
— met een bepaald doel eenigen tijd zitten : voor den schilder zitten, zich laten uitteekenen;
— aan tafel zitten, om te eten;
— op de markt zitten, er eenige koopwaren uitgestald hebben om ze te verkoopen;
— (spr.) daar zit zij nu met haar gebakken peren, zie PEER; -
— de dokter zit van 1 tot 2 uur, houdt dan zitting, is dan te spreken; -
— de Kamers zitten, zijn vergaderd;
— in het bestuur zitten, lid van het bestuur uitmaken;
— in den raad zitten, lid van den raad zijn;
— op den troon zitten, als vorst regeeren;
— aan het roer zitten, besturen, regeeren;
ik zit al een uur over mijn opstel, ben reeds een uur daarmee bezig;
— de kip zit te broeden, zit op eieren;
— als bloote aanduiding dat men eenigen tijd met iets bezig is : hij zit ie lezen, te praten, te rooken; elkander zitten te plagen; wat zit hij weer te liegen!
— een geruimen tijd of voortdurend ergens vertoeven : in de gevangenis, achter de tralies, achter slot zitten, gevangenisstraf ondergaan;
— op water en brood zitten, in de gevangenis zitten en niets dan dat bekomen;
— voor schuld, wegens beleediging zitten;
— hij zit altijd thuis, gaat haast nooit uit;
— altijd achter de kachel, bij moeders pappot zitten, een huishen zijn;
— hij zit altijd in de boeken, met zijn neus in de boeken. hij is altijd aan het studeeren;
— waar zit hij toch ?, waar mag hij wel zoo lang blijven?, waar zouhij vertoeven?; voor hoer zitten, daarvan haar bedrijf maken:
— vertoeven, zich bevinden met aanduiding van de wijze waarop : hij zit in nood, in de verlegenheid, in den brand, hij verkeert in verlegenheid, heeft hulp noodig;
— in de pekel zitten, in angst, in geldverlegenheid;
— in zak en asch zitten, in angst zitten, treurig, neerslachtig zijn;
— hij zit er warmpjes in, is bemiddeld;
— hij zit in schuld, heeft schulden;
— hij zit tot over de ooren in de schuld, hij weet haast niet, hoe zijne schuld betaald te krijgen;
— hij zit vol valschheid, vol venijn, hij is in hooge mate valsch;
— op een droogje zitten. niets te gebruiken hebben;
— hij is blijven zitten, is op school, (ook) is in zijne betrekking niet bevorderd;
— wij zijn blijven zitten, zijn niet weggegaan, (ook) zijn niet verhuisd;
— dat meisje is blijven zitten, is niet ten dans (op een bal), niet ten huwelijk gevraagd;
— die weduwe bleef met twee kinderen zitten, had 2 kinderen toen zij weduwe werd;
— hij is in den boel blijven zitten, heeft de zaak geërfd, voortgezet;
— zij bleef in goeden doen zitten, werd niet onbemiddeld door den dood van haar man;
— hij heeft zijne vrouw laten zitten, heeft haar in den steek gelaten, is stil heengegaan;
— een meisje laten zitten, haar niet huwen, inz. na het haar beloofd te hebben;
— de meid heeft ons laten zitten, heeft ons in den steek gelaten, is niet gekomen of is weggeloopen;
— de zaken laten zitten, niet voortzetten;
— ik zal het er niet bij laten zitten, ik zal de zaken beëindigen, (ook) ik zal het bij het gerecht aanklagen, (ook) ik zal er u wel voor beloonen;
— hij liet er een aardig sommetje hij zitten, verloor er vrij veel geld aan;
— (van zaken) het schip zit, zit aan den grond, is vast aan den grond;
— (spr.) hiermee zit ik aan den grond, weet niet wat te doen, (ook) ik ben er mee verlegen;
— de spijker zit los, is los;
— de hoed zit hem altijd op het hoofd, hij loopt nooit blootshoofds, (ook) hij groet niemand;
— er zit vuil op uw goed, er is, bevindt zich vuil op;
— zit daar geld ?, heeft men daar geld ?;
— het zit er niet aan, ik kan niet veel uitgeven;
— daar zit niet veel, men is er niet bemiddeld;
— daar zit niets op, er is niets aan te doen, (ook) er is geen voordeel van te halen;
— daar zit niets anders op dan
..., alleen dit kan nog gedaan of beproefd worden;
— daar zit 5 jaar op, dit is met 5 jaar gevangenisstraf bedreigd;
— daar zit niet veel hij (hij dien knaap), hij is niet flink, gevat, bij de hand;
— de Duitsche voorzetsels zitten er goed in, die kennen zij, die ken ik goed;
— de zaak zit op haar gat, er komt niets van terecht;
— daar zit hem de knoop, zie KNOOP;
er zit slijm op de borst, men heeft veel last van slijm op de borst;
— het zit hem aan de longen, hij scheelt het aan de longen;
— (van kleedingstukken) kleeden, passen, staan: die jas zit u goed; de rok zit daar niet mooi; dat pakje zit u als aan ’t lijf geschilderd, staat u keurig mooi.