Niet betekenis & definitie

1. Niet bw. van ontkenning: ik kan niet komen; niet met al of allen, niemendal, hoegenaamd niets; — ’t was goed weer, dat niet, dat ontken ik niet; — wat heb ik niet dikwijls gezegd, ik heb immers dikwijls gezegd; — hoe vaak heb ik niet gedacht, zeer vaak heb ik gedacht; — dat is niet te versmaden, dat moet men graag aannemen; — — o. wat nog niet bestaat: God heeft de wereld uit het niet geschapen; uit het niet te voorschijn roepen; — te niet doen, vernietigen; — te niet gaan, vervallen, ten onder gaan; — als niet komt tot iet, kent het zichzelf niet of is het allemans verdriet, de opkomelingen zijn altoos overmoedig.

2. Niet v. (-en), (in de loterij) nummer waarop geen prijs valt: loterij zonder nieten. NIETJE, o. (‘s).
3. Niet v. (-ten), spijker, klinknagel.
4. Niet o. bloem van koper, ertsasch.

Gepubliceerd op 27-09-2018