Tijd betekenis & definitie

Tijd - m. (-en), duur der dingen, hoofdzakelijk gemeten door de regelmatige afwisseling van dag en nacht: de tijd vergaat, verloopt, verstrijkt, staat niet stil: — na verloop van tijd, over eenigen tijd; — in den loop des tijds, langzamerhand; — de vemielende tand des tijds, op den langen duur bezwijkt alles; — de tijd zal het leeren, na verloop van tijd zal men zekerheid krijgen, het juiste van iets inzien, enz.; — de tijd is de beste medicijn, de grootste droefheid zelfs vermindert op den duur; de tijd slijt alles, — het is maar eene kwestie van tijd, het kost alleen maar tijd, (ook) men moet nog geduld hebben, later denkt en handelt iedereen zoo; — deel van den onbegrensden tijd, zekere tijdruimte, tijdpunt: de tegenwoordige, de verleden, de toekomende tijd, wat is, was, wezen zal; een langen, korten tijd duren; een heelen tijd geleden; — sedert onheuglijke tijden, waarvan men zich het begin niet herinnert; — in den nacht der tijden, in den tijd waarvan wij niets meer weten; in tijd van een jaar, binnen het verloop van een jaar; voor korten tijd, niet lang geleden; van tijd tot tijd, zoo nu en dan; ten allen tijde, altijd; ten tijde van Napoleon, in den tijd dat N. leefde, regeerde; — ten tijde van Olim, in den goeden ouden tijd; — in mijn tijd, toen ik nog (ergens was, studeerde, jong was enz.); — dat was vóór mijn tijd; — alles heeft zijn tijd, alles komt op, duurt zekeren tijd; — hij heeft zijn tijd gehad, vroeger was hij beter, meer bekend, beroemd enz.; die jas heeft haar tijd gehad, is nu afgedragen; — tijdruimte met betrekking tot de manier waarop die doorgebracht, besteed is, wat haar kenmerkte; over goede, kwade, slechte tijden spreken; in een onrustigen tijd leven; in tijden van oorlog, van vrede; wat zijn die tijden veranderd !, wat is nu alles anders dan vroeger !; — de geest des tijds, de tijdgeest; — andere tijden, andere zeden, iedere tijd heeft zijne eigenaardige zeden en gewoonten; — met den tijd meegaan, met de heerschende denkwijze, de mode; — uit den tijd gaan, raken, verouderen; — uit den tijd zijn, verouderd zijn; (ook) dood en begraven zijn; — dat was zijn beste tijd, toen was hij het flinkst, had hij het zeer goed enz.; — de zwarte Tijd in de letterkunde, romantische periode van jonge, dweepzieke zielen; — tijd die voor iets bestemd, vastgesteld is of ergens het meest voor geschikt, het seizoen: het is, wordt tijd om te beginnen; de tijd nadert dat ik...; — het is hoog tijd om te vertrekken, men kan niet langer wachten; — tijd om te eten, slapen; het is nu de tijd om te knikkeren, te hoepelen, vliegers op te laten, de tijd die er het meest voor geschikt is; — in den tijd van den oogst,wanneer men den oogst binnenhaalt; —het is nu de tijd van de schol, de bokking, dat gedeelte van het jaar dat de visch veel gevangen wordt, het lekkerst is; — de nieuwe tijd, uitroep waarmee men de eerste rijpe peren uitvent; — hij komt op tijd, op den vastgestelden tijd, vroeg genoeg; — vóór, over tijd komen, te vroeg, te laat; — zij beviel vóór den tijd, voordat hare zwangerschap ten einde was; — zijn tijd afwachten, zijne beurt afwachten, geduld hebben; — komt tijd, komt raad, als het die tijd is, dan zal men wel raad weten; — geene zorgen vóór den tijd, voordat het noodig is; — bij tijd en wijle, op het geschikte oogenblik; — bij tijden weet ik geen raad, soms; — men moet zijn tijd waarnemen, den gunstigen tijd; — er is een tijd van komen en een van gaan, niets is bestendig, ook de mensch niet; — tijd dien men voor iets noodig of beschikbaar heeft: ik heb er geen tijd voor; den tijd voor iets nemen; — hij heeft altoos tijd genoeg, hij heeft den tijd aan zich, hij haast zich nooit; — gij hebt den tijd, ge behoeft u niet te haasten; — dat heeft nog den tijd, daarmee kunnen wij nog wel wachten; — iem. geen tijd laten, hem voortdrijven, aanzetten, haasten; — dat heeft tijd tot morgen, dat kunnen wij tot morgen uitstellen, behoeft heden niet klaar te zijn; — zijn tijd verluieren, verbeuzelen, verkwisten; den verloren tijd weer inhalen; tijd is kostbaar; — tijd is geld, wie den tijd goed besteedt, kan geld verdienen; — tijd waarin men niets te doen heeft en den duur ervan pijnlijk gevoelt: zich den tijd verdrijven, korten, dooden; de tijd valt mij lang, ik verveel mij; — (taalk.) de tijden der werkwoorden, die vormen der werkwoorden, welke de betrekking aangeven, waarin de werking, naar de voorstelling van den spreker, staat tot den tijd: de tegenwoordige, de verleden, de toekomende tijd; — enkelvoudige, samengestelde tijden, naarmate die vormen door uitgangen of met behulp van de hulpwerkwoorden worden uitgedrukt; — de afgeleide tijden (in de Fransche spraakkunst b. v.), die van andere tijden, de oorspronkelijke, afgeleid worden; — elliptisch, bij wijze van tw. is het gebezigd in : mijn lieve tijd !; och, mijn tijd!; wel, heere mijn tijd ! TIJDJE, o. (-s), korte tijd.