Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Dag

betekenis & definitie

Het begrip dag heeft 4 verschillende betekenissen:

1. dag - DAG, m. (=en), de lichte toestand van het door de zon beschenen gedeelte der aarde het is, wordt dag; het is laat dag; hij heeft het bij klaren, lichten dag gedaan; op klaarlichten dag;
— ik kom nog bij dag thuis, terwijl het nog dag is; *t is lang dag;
— vóór dag en dauw, zeer vroeg in den morgen;
— de vleermuis slaapt over deeg, terwijl het dag is;
— dag en nacht, steeds;
— 't is een verschil als dag en nacht, een zeer groot verschil;,
— ’t is dag of geen dag, Jt schemert nog;
— ’t is dag of geen dag hij staat om zes uren op, of het licht is of niet, hij staat altijd om zes uren op;
— (gew.) geen dag voor oogen kunnen zien, het is zeer duister; vgl. opdagen;
— *t misdrijf komt aan den dag, wordt ontdekt;
— veel moed, scherpzinnigheid enz. aan den dag leggen, toonen, doen blijken;
— hij haalde zijn horloge voor den dag, te voorschijn;
— hij durft er niet mee voor den dag te komen, zich er mee te toonen, (ook) het voorstel te doen;
— doe wel en wandel in den dag, verberg uwe handelingen niet;
— dat is zoo klaar als de dag, dat ziet ieder in (vgl. zonneklaar);
— de schilderij hangt tegen den dag, zóó, dat het licht er min of meer loodrecht op valt;
— iets tegen den dag houden, het daglicht er door laten vallen, om de helderheid, de dichtheid te bepalen;
— (Zuidn.) ergens geen dag door zien, uit iets niet wijs worden, het niet verstaan;
— ‘t mag geen dag zien, ‘t mag niet aan ’t licht komen, ’t is iets slechts;
— werken zoo lang het dag is, zijn tijd steeds nuttig besteden;
— ’t is morgen vroeg dag, we moeten morgen vroeg opstaan;
— mijn hooge hoed heeft sedert langen tijd geen dag meer gezien, is niet uit de doos, gebruikt geweest;
— tijdruimte tusschen op- en ondergang der zon, ook een bepaalde tijd; wij hebben den heelen dag gewerkt;
— de kortste en de langste dag van het jaar;
— hoe later op den dag, hoe schoener volk, beleefdheidsformule tegenover late bezoekers;
— omstreeks Kerstmis gaan de dagen maar open en toe, zijn maar zeer kort;
— etmaal: een dag heeft 24 uur; eene week heeft zeven dagen; veertien dagen; welken dag hebben wij nu ? Dinsdag of Woensdag ?; dag noch uur weten;
— dag en uur bepalen, den juisten tijd;
— een heilige dag, kerkdag voor de Katholieken;
— (zeew.) heilige dag, eene bij ’t schoonmaken of verven van ’t schip overgeslagen plek;
— de werklieden maakten een langen dag, werkten dien dag lang;
— (gew.) een dag maaiens, als maat voor hooilanden, 4258 M-;
— een grooten dag van iets maken, met veel ophef ervan spreken;
— ik kom daar alle dagen, iederen dag; alle, iederen dag; de dag van gisteren;
— morgen aan den dag, morgen dadelijk, morgen komt er weer een dag; (w. g.) de lucht zit nog vol dagen;
— in onze dagen, in onzen tijd, thans; heden ten dage, tegenwoordig, vgl. vandaag; ten dage dat;
— dezer dagen, een der laatste dagen; (ook) een der eerstvolgende dagen;
— op zekeren dag;
— bij den dag veranderen, zoo, dat men iederen dag ’t verschil kan waarnemen;
— dag aan dag, iederen dag weeraan;
— goede dagen, tijden waarin men ’t goed heeft;
— in de dagen van yt schrikbewind, in dien tijd;
— (Zuidn.) in zijnen goeden, slechten dag zijn, goed, slecht gehumeurd zijn;
— ‘t is vandaag zijn dag niet, hij is er niet op gesteld (dit of dat te verrichten):
— (Zuidn.) verjaardag, naamfeest; het is morgen moeder haren dag;
— al zijn dagen, uitroep van verwondering;
— fijne dagen zijn geteld, zijn einde is nabij;
— een man van den dag, hoog bejaard, op wiens blijven leven men niet voor lang kan rekenen;
— dien dag hoop ik nog te beleven, dat hoop ik nog eens te zien;
— (w. g.) in den ouden dag, in de oudheid;
— de oude dag, de ouderdom de oude dag komt met gebreken;
— ouden van dagen, bejaarde lieden,
— (bijb.) hij is der dagen zat, zoo oud, dat ’t leven hem verveelt; een dagje ouder worden, tamelijk wat ouder worden;,
— de orde van den dag, ten vergaderingen) agenda;
— opstootjes zjin aan de orde van den dag. komen dagelijks of veelvuldig voor;
— *t nieuws van den dag, ’t nieuws van heden;
— een gat in den dag slapen, morgens zeer laat opstaan; dag in, dag uit was het mooi weer, iederen dag weeraan, steeds:
— van den eenen dag in den anderen leven, zonder geregelde verdiensten, (ook) onbezorgd;
— onthoud je dag ik zal je weten te straffen;
— (godg.) de jongste dag, dag van het laatste oordeel, dag des oordeels of de dag der dagen;
— ten jongsten dage, op den jongsten dag;
— op *t laatst der dagen, als ’t einde nadert;
— de dag des Heeren, de Zondag;
— zie DAAGS;
— het is nog kort {lang) dag, de tijd zal spoedig daar zijn; ook ‘t is nou kort dag, nog kort geleden;
— tot in lengte van dagen, tot in eene verre toekomst;
— iem. (goeden) dag zeggen, groeten, (ook) afscheid nemen van;
— het gaat dag, (van een kind) gaat uit;
— jaar en dag, (oorspronkelijk) eene wettelijke tijdsruimte van een jaar en zes weken, (tegenw.) een zeer langen tijd; zie ZITDAG, RIJKSDAG, LANDDAG, vgl. indagen, uitdagen, verdagen;
— (gew.) termijn; ik heb nog twee (land) dagen, twee maal te betalen het gaat op lange dagen, op langen termijn;
— het spiegelglas is 40 cM. in den dag breed, het gedeelte onder de lijst niet medegerekend;
— (bouwk.) binnenkant van een raamwerk of kozijn de grootte van het kozijn in den dag, binnenwerks gemeten:
— in den dag (van sluizen), aan de buitenzijde). Dagje, o. hij kwam een dagje, een paar daagjes over.

2. dag - DAG, DAGGE, v. (-gen), ponjaard;
— (Zuidn.) voegijzer, werktuig om de voegen van ’t metselwerk glad te maken.

3. dag - DAG, v. (-gen), (zeew ) een end touw waarmede de matrozen op een schip gestraft werden; touw dat jongen matrozen om het lichaam werd geslagen, bij het leeren klimmen;
— een eindje dag, een pak slaag.

4. dag - DAG, m. (Zuidn.) (spottend) persoon: wat is dat een leelijke dag !