Wat is de betekenis van venijn?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

venijn

venijn - Zelfstandignaamwoord 1. kwaadaardigheid, laster, vergift, moeilijkheid Het venijn zit hem in de details. In dit boek zat veel venijn naar de vorige regering.

2024-02-29
Woordenboek vreemde woorden

A. Kolsteren en Ewoud Sanders (1994)

Venijn

[Fr. venin, van Lat. venenum] gif.

2024-02-29
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Venijn

vergif; boosaardigheid; gif

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Venijn

s.n., fenyn (it).

Wil je toegang tot alle 13 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Venijn

o., 1. gif, vergif; 2. (fig.) zedelijk vergif, wat de betrekkingen der mensen vergiftigt, bederft: boosaardigheid: (spr.) geen erger venijn dan kwade, tongen: zijn venijn op iem. uitbraken, hem belasteren.

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

venijn

o. (Fr. venin [Lat. venenum]: vergif, smetstof; fig. laster): zijn venijn uitstorten.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

venijn

(və’nijn) o. [Fr. < Lat. venenum, liefdedrank, ~ Venus] 1, Eig. (ver)gif, smetstof. 2. Metf. lastertaal) : zijn op iemand uitbraken; geen erger dan kwade tongen.

2024-02-29
Polulaire Geneeskundige Encyclopaedie

Dr. Ch. Bles (1929)

Venijn

noemt men een stof, die alleen giftig werkt, wanneer zij in de bloedbaan gebracht wordt, doch onschadelijk is in het darmkanaal. Deze stoffen worden door dieren gevormd.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Venijn

[Lat. venenum, vergif], o., 1. gif, vergif; (spr.) het zit in de staart, het gif zit in het slot; 2. boosaardigheid: venijn spuwen (fig.) boosaardige of lasterlijke dingen zeggen; (spr.) geen erger venijn dan kwade tongen; 3. boosaardig mens: stuk venijn.

2024-02-29
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Venijn

van ’t Fr. venin, het Lat. venenum = vergif.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

VENIJN

VENIJN - o. gif, vergif, (flg.) lastertaal: (spr.) geen erger venijn dan kwade tongen; zijn venijn op iem. uitbraken.

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Venijn

Venijn, o. (-en), gif, vergift; (fig.) lastertaal. *-DRANK, m. (-en), gifdrank. *-MENGER, m., *-MENGSTER, v. (-s), gifmenger, - mengster. *-IG, bn. (-er, -st), vergiftigd; (fig.) bits, boos, lasterend.

2024-02-29
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Venijn

Venenum, virus, toxicum. gal. venin: it. veleno: his. veneno: ang. venim.