Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Mooi

betekenis & definitie

Mooi bn. bw. (-er, -st), wat de zinnen, inz. het gezicht, aangenaam aandoet, schoon, fraai, bevallig, aardig, lief: een mooi vergezicht; eene mooie streek; een mooi meisje met mooi haar en mooie oogen; (ook door uiterlijken opschik) wat heeft hij zich mooi uitgedost vandaag !;

— zich mooi maken, zich fraai kleeden, (fig.) pronken met andermans veeren;
— mooi met iets zijn, zich ijdellijk op iets verheffen; nu, daar ben je ook mooi mee !, daar zult ge ook niet veel plezier van hebben;
— het mooie handje, de rechterhand;
— wat het gehoor streelt: eene mooie stem; zij zingt mooi; mooi klinken; mooie muziek;
—■ wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet: een mooi gedicht; een mooi boek; hij kan heel mooi vertellen;
— wat op den geheelen mensch een aangenamen indruk maakt: mooi weer; een recht mooie herfstdag;
— (fig.) mooi weer spelen, uiterst vriendelijk en voorkomend jegens iem. zijn; (ook) op grooten voet leven; mooi weer spelen van eens anders geld, daarvan den grooten heer uithangen;
— op een mooien dag, op zekeren dag;
— waardoor iem. blijk geeft van uitnemendheid: een mooi examen; mooie cijfers halen; een mooi schot; dat staat je niet mooi;
— wat op zedelijk gebied aan onze eischen voldoet, braaf, goed: dat vind ik niet mooi van u; ik kan niet zeggen dat hij haar mooi heeft behandeld;
— daar hebt gij niet mooi aan gedaan, dat hebt gij niet mooi gemaakt, hierin hebt gij u in ’t geheel niet goed gedragen:
— hij weet zich heel mooi voor te doen; hij wil altijd de mooie man wezen, hij wil het iedereen naar den zin maken;
— hij vertelt er niet veel moois van, niet veel goeds;
— wat heb ik aan je mooie beloften, aan die mooie praatjes !
— eene mooie som geld, groote som; (scherts.) dat is eene mooie grap, dat is een lastig geval; het mooiste van de heele zaak is, dat hij er zelfs niets van weet, het vermakelijkste, het gekste enz.;
— bw. vrij wat, aardig, nogal: de zieke is mooi opgeknapt; hij was dien avond mooi dronken; hij heeft het mooi ingehaald, bijgewerkt;
— ik was mooi op weg om een dronkaard te worden;
— als zelfst. nw. o. wat mooi is : gij kijkt er al het mooi af.