Er betekenis & definitie

ER, bw. (enclitische vorm van der, daar) daar, op de aangewezen, aangeduide plaats: wie waren er ? (b. v. in de kerk, op het concert, in de vergadering, aan de deur); dat boek is er niet, (b. v. in de bibliotheek); — ik zal er even aangaan, aanloopen, (bij den dokter, op de gemeente-secretarie); — in hij is er kan er eene bepaalde plaats b.v. aan den eindpaal aanduiden; — figuurlijk beteekent er zijn, b. v. het doel bereikt hebben, geslaagd, gereed zijn met een werk; — ik ben er al, ben reeds opgestaan, ben ter plaatse; — in onbepaalde beteekenis, zonder aan eene plaats te denken niemand was er te vinden die het doen wilde; zoo iem. leeft er niet; — dat is er niet, bestaat niet; inz.: er was eens een koning; er leefde in dien tijd een wonderdokter; er woonde daar (in die stad) een rijk man; er bleek uitzien; — (vooral aan het begin van zinnen in den lijdenden vorm): er wordt alhier een gekkenhuis gebouwd; ook er wordt gepraat, gelachen; — (ook) tien aandeelen worden er jaarlijks uitgeloot; — (in verbinding met bijwoorden) ter vervanging van een persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord met een voorzetsel (vooral voor zaken); (ook wel in één woord geschreven) ik heb er niets van gehoord, daarvan, van dat, dit (het); er voor (ervoor) bedanken; er mede opgescheept zitten; er toe bijdragen; — (in de spreektaal ook van personen gezegd): ik ga er niet mee om, met hen, haar enz.; — vaak vormt het bijwoord eene samenstelling met het werkw., waardoor er in eig. of fig. zin eene plaats aangeeft de verf is er afgegaan (b. v. van de deur), hij was er in een oogenblik afgesprongen (van het paard); zijn goeden naam, zijn leven er afbrengen (b. v. uit een dreigend gevaar); — het er goed, slecht af brengen, (b. v. bij een wedstrijd, onderzoek); zie AFBRENGEN; — doe er een gulden af, (van den prijs); — er slecht, met eene boete afkomen, (van de aanklacht) zie AFKOMEN; — gij moogt er niet aankomen, (aan dat voorwerp); — houd er (van dit geld) tien stuivers af; — hij kan er (van zijn tijd) geen uur afnemen; — den boel er doordraaien; — hij is er doorgekomen, zie op DOORKOMEN, -GAAN, -KUNNEN, -ZIJN); — hij is er leelijk ingeloopen, ingevlogen (in de val, in zijne straf); die vrouw loopt er vaak uit, (uit het huis); — (met van inz. ter vervanging van een bezitt. voornaamw. of aanw. vnw.: hij heeft het mooie veulen en zijn buurman de moeder ervan gekocht; zijn neef heeft de oudste dochter van den rijken koopman getrouwd en hij is verloofd met de jongste ervan (met diens jongste dochter); — der, er, ’r worden vaak als bezitt. vnw. (haar, heur) gebruikt: zij pasten op er tijd; ze kregen op er (‘r) gezicht; — zonder voorzetsel (oude 2 nv. van het pers. vnw. beteekenende van hem, van die, daarvan, ervan): geef mij een paar sigaren, zijn er nog vele in het kistje ? ik ken er eenigen; er zijn er (van hen) die zoo iets niet zouden doen; er zijn er velen.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018