Die betekenis & definitie

DIE, aanw. vnw. (zelfst. en bijvoegl. verbuiging als de, maar gen. mnl. en onz. diens), duidt in tegenst. met deze aan, dat iets verder van den spreker af is, of wisselt ook wel eenvoudig met deze af, zonder dat er van eene grootere verwijdering sprake is ik zal dezen boom vellen, maar dien ouden knaap bij de schutting laten staan; welke bloem wilt ge hébben ? deze ? of deze ? of die ?; — bij eene enkelvoudige aanwijzing, zonder tegenstelling, gebruikt men meestal die hier heb ik een brief, lees dien eens; in dit geval wordt die steeds gebruikt, als er nadruk op gelegd moet worden: deze tabak krijg ik uit A.; die moet je eens probeeren; mijn broer is een leepe vos, die laat zich niet beetnemen; — die is goed uitroep na een gehoorden kwinkslag, eene bijgewoonde grap; — in dier voege, met dien verstande, te dien einde enz., zie op voeg enz.; zie verder: indien, bovendien, bijaldien, buitendien, mitsdien, naardien, dienaangaande, diensvolgens, enz.; — (spreektaal) en die, uitdrukking achter den naam van een persoon gevoegd om andere personen, makkers, vrienden aan te duiden, (vgl. en zoo): ik ben met mijn broer en die uit visschen geweest; — ook overtollige herhaling na het onderwerp Jan die sloeg Lijsje en Lijsje die sloeg Jan: — bepalingaank. vnw. (zelfst. en bijvoegl.) mijn oude tuin en die, welken ik erbij gekocht heb; mijne kleeren en die van mijn broer; die menschen, die altijd den mond vol hebben over anderen, (die) vertrouw ik niet; — betrekk. vnw. (gen., dat., en acc. na voorz. door vormen van wie vervangen): de menschen die ik spreek, met wie ik omga; vertrouwen wij op Hem in wiens hand onze dagen zijn; — aan ’t hoofd van een bijvoegl. bijzin welks antecedent is weggelaten: die ’t glas gebroken heeft, betaalt het (de spreektaal gebruikt hier door elkaar die en wie).

Laatst bijgewerkt 02-09-2018