Grond betekenis & definitie

GROND, m. (-en), de bodem waarop wij leven, de oppervlakte der aarde: eeuwenoude beuken met takken, die neerhingen tot den grond; de grond was met bloemen bedekt; — laag bij den grond blijven, zich laag bij den grond houden, (fig.) geen buitensporige dingen doen, (ook) geen hoogvlieger zijn; — de begane grond, de natuurlijke oppervlakte van het terrein, het maaiveld; — iets met den grond gelijk maken, het slechten, sloopen; — een gebouw voor (of tegen) den grond gooien, het afbreken, sloopen; — de kerk brandde tot den grond toe af, geheel; — het vlak waarop men gaat of staat (de aardoppervlakte, of de vloer van een gebouw, een vertrek enz.): de grond, waarop de kerk staat, is wat hooger dan het omringende land; hij viel met een bons op den grond; het kind zit op den grond te spelen; — (Zuidn.) ten gronde, op den grond, naar den vloer, ter aarde hij wierp zich met een blijden schreeuw ten gronde; zij staarde ten gronde; — hij stond als aan den grond genageld, onbeweeglijk door ontzetting of verbazing; — hij meende door den grond te zinken, van ontzetting, schaamte enz.; — (schild.) benaming van de verschillende, telkens schijnbaar verder weg gelegen onderdeelen van het grondvlak eener schilderij of teekening, die gezamenlijk het wijken van het verschiet (de diepte) te weeg brengen een landschapje met vijf diepten of gronden; — een begrensd gedeelte van het aardoppervlak (een veld, akker, terrein enz.), land; grond koopen, verkoopen, verhuren; afstand van grond; ingepolderde, verdronken, woeste gronden: een stuk gronds; een mooie lap grond, een flink of vruchtbaar stuk land; geen duimbreed gronds willen afslaan; — wij bevinden ons op Stichtschen grond, op het grondgebied van het Sticht; — de vaderlandsche grond, de vaderlandsche bodem — neutrale grond, onzijdig gebied; — stuk land dat iemand in eigendom of in gebruik heeft, erf vruchten, aardappelen van eigen grond; niemand mag zonder toestemming vee drijven over andermans grond; — liggende gronden, vaste goe deren, goederen die bestaan in landeigendom; — grond verliezen, (fig.), terrein verliezen, de kans op slagen zien verminderen, zijne positie niet kunnen handhaven; — de opperste, vruchtbare laag van de aardschors in den grond graven; den grond ontginnen, openen, den bodem ontginnen; het gezaaide komt uit den grond, komt op; — zij verrijzen als paddenstoelen uit den grond, (fig.) komen overal in groot aantal te voorschijn; — de aardappels zijn al uit den grond, zijn reeds gerooid; — hij is reeds tien jaar onder den grond, dood en begraven; — (gemeenz.) iemand onder den grond stoppen, hem begraven; — de vaste grond, het land, de aarde (in tegenst. met het beweeglijk vlak dat de bodem van een schip oplevert), hij is blij dat hij eindelijk weer vasten grond onder de voeten heeft, (van een zeevarende) dat hij aan land is; — een slappe, een harde grond; — de koude grond, de onbeschutte moes- of tuingrond (in tegenst. met kunstmatig verwarmd terrein, als broeiramen of trekkassen): aardbeien van den kouden grond; — (fig.) t is een Latinist van den kouden grond, die niet veel beteekent; — gewijde grond, aarde die gewijd is, het kerkhof voor hen die als goede Katholieken gestorven zijn: hij rust in gewijden grond; — aardlaag van eene bepaalde grondsoort rotsgrond, zandgrond; primaire, secundaire, alluviale gronden; — de stof waaruit de aardschors bestaat, aarde grond vergaren; grond kruien; schrale, vette, vruchtbare grond; — (zegsw.) rood haar en elzenhout wordt op geen goeden grond gebouwd, iem. met rood haar kan niet deugen; grond voor één (voor twee enz.) man, aldus onderscheiden naar de mate van het gemak waarmede de grond zioh laat vergraven de soort van grond waarvan één man per dag 15M3. kan ontgraven, noemt men grond voor één man, — het vlak waarop een gebouw staat, datgene waarop het steunt, de fundamenten en de diepe kolken der wateren werden gezien en de gronden der wereld werden ontdekt (Ps. 18 16); — den grond van een huis leggen; —een grond slaan, eene fundeering van palen inslaan; — de grond is (on)bestomen, als het metselwerk er van (nog niet) gedroogd en hard is geworden; — grondslag: het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt; — de gronden van eene rechterlijke uitspraak, de overwegingen waarop de uitspraak steunt; — dat steunt op losse gronden, gaat niet van een degelijk beginsel uit; — die zaak heeft een grond van waarheid, een beginsel van waarheid, er ligt iets waars aan ten grondslag; — iets op goede gronden beweren, met degelijke bewijsmiddelen; — gronden voor iets aanvoeren, argumenten bijbrengen; — er bestaat grond om te meenen dat..,, rechtmatige aanleiding; — uwe verdenking is van allen grond ontbloot, is ongegrond, daarvoor is geene aanleiding; — niet zonder grond was hij ontevreden, met reden; — op grond van, om reden van, wegens: op grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen kan de ambtenaar weigeren een huwelijk te voltrekken; — af gunst is de grond van veel verdriet, de oorzaak; — ik weet niet uit welken grond hij zoo handelt, uit welke beweegreden; — zijn vader onderwees hem de gronden der scheikunde, de eerste beginselen; — ondergrond, dat wat onder of achter iets anders is den grond van eene schilderij leggen, eene schilderij aanleggen, doodverven, de eerste verf leggen; — (verg.) de kleefstof die op de zaak, welke verguld zal worden, wordt aangebracht; — (bij etsers) vernis op de platen die men etsen wil; — vlak van zekere kleur, waarop figuren van eene andere kleur of tint zijn aangebracht: heldere kleuren komen het meest uit op een donkeren grond; — goudborduursel op een satijnen grond; — ondergrond van een weefsel: (bij fluweelachtige stoffen, tapijten enz.) het weefsel waar de overeindstaande draadjes (de pool) in worden aangebracht, ingeklemd of -geknoopt, (bij piqué) het weefsel dat de rechte kant vormt, (bij weefsels met een patroon) het effen weefsel in tegenst. met de daarin geweven figuren; — de oorspronkelijke kleur van iets, inz. de oorspronkelijke witte kleur van waschgoed het goed was zoo vuil, dat er geen grond in te krijgen was, dat het niet meer schoon te wasschen was; — (wev.) het patroon, het plan waarnaar de wever werkt; — de bodem onder het water, de bedding van eene rivier, een meer, de zee enz.; een in het water geworpen steen zinkt naar den grond; het peillood laten zakken tot men grond voelt; — het schip is aan den grond geraakt, is in te ondiep vaarwater vast komen te zitten; — aan den grond zitten, (van een schip) op eene ondiepe plaats onbeweeglijk vast zitten, (fig. van een persoon) in benarde omstandigheden verkeeren; — het schip raakt grond, raakt met de kiel den bodem van het water; — aan den grond zuigen, (van een schip) door de nabijheid van den grond vertraging in de vaart ondervinden platte stoomschepen, die weinig diep gaan, zuigen soms zoo hard aan den grond dat ze in het geheel niet sturen willen; — grond peilen, met peillood of stok de diepte van het vaarwater onderzoeken; — grond krijgen, hebben, met het dieplood den bodem berei-ken, bereikt hebben (op eene ondiepe plaats); — grond roden, (van zwemmende of varende personen) den bodem van het water onder den voet, onder het vaartuig voelen (fig.) genoeg gegeten en gedronken hebben, voelen dat men verzadigd is, (ook) bespeuren dat men zich niet verder moet wagen; — een schip in den grond boren, het doen zinken door er gaten in te boren of te schieten, door het aan te varen enz.; — (fig.) iemand (of iets) in den grond boren (of helpen), ruïneeren, ten val, ten ondergang brengen; — iemand (of iets) te gronde richten, bederven, ruïneeren; — te gronde gaan, zinken het lichte harkje staat boven, maar het geloode net gaat te gronde; — (inz.) (van drenkelingen en schepen) verdrinken, vergaan, (fig.) ondergaan, in het verderf storten, te niet gaan: door zijn speculeeren zal hij nog te gronde gaan; de eens zoo bloeiende stad ging te gronde; — zich in den grond werken, zich ruïneeren, naar den kelder gaan; — de bodem of een gedeelte van den bodem van de zee of van andere wateren schoone grond, zonder klippen, riffen, ondiepten, wrakken enz.; — vuile grond, het tegenovergestelde daarvan: vuile gronden bederven de kabels, (fig.) kwaad verkeer bederft de zeden: — diepe grond, die diep gelegen is: (spr.) stille waters hebben diepe gronden, in lieden, die zich weinig uitlaten, zit vaak meer (verstand, ondeugd, valschheid, arglistigheid enz.) dan men naar den uiterlijken schijn vermoeden zou; — de gronden, het ondiepe gedeelte van den Atlantischen oceaan bewesten het Kanaal; — die wist of hij een vasten grond had, eer hij het anker liet vallen die was de slechtste schipper niet, secuur te werk gaan is nog het slechtste niet; — grond houden, (van een anker) vatten, pakken, niet doordreggen; — (fig.) die bewering houdt geen grond, mist alle vastigheid, houdt geen steek; — grond breken, het anker lichten, onder zeil gaan; — goede ankergrond is de beste grond, men moet zijn hoop en verwachting stellen op hetgeen vast is; — (w. g.) het is noch grond noch staal, noch vleesch noch visch, men weet niet wat men aan hem heeft; — het diepste, onderste gedeelte van iets: den grond der dingen verstaan, het wezenlijke, de kern; — at komt uit den grond zijns harten, uit het diepste van zijn gemoed, is oprecht gemeend; — iemands grond peilen, zijne meening zoeken te weten te komen, (ook) zijne geheime bedoeling doorgronden; — in den grond, in het innerlijke wezen der zaak: in den grond ben ik het met hem eens, in de hoofdpunten; — in den grond heeft hij gelijk, in hoofdzaak; — iets in den grond verstaan, het door en door, volkomen machtig zijn; — eene zaak in den grond onderzoeken, grondig; — iem. in den grond bederven, geheel en al; — in den grond is hij goedhartig, hij is goedhartig van inborst, van karakter; — die wij kennen des mans grond, die sla zijne vrouw of zijnen hond; — het onderste, het ondervlak van Iets dat diep of hol is, de bodem (w. g.) een glas tot op den grond ledigen, geheel en al ledigen, schoon uitdrinken; — (spr.) op den grond van het vat vindt men de hef, de kwade gevolgen komen achteraan; die kuil is zoo diep, dat men met geen stok den grond kan raken.

Gepubliceerd op 12-09-2018