Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tafel

betekenis & definitie

Tafel - v. (-s, -en), vierkante of ronde plaat van metaal, hout, steen, glas enz.: glastafel, vierkante plaat glas waaruit men vensterruiten snijdt; tafel van een edelsteen, het bovenvlak dat evenwijdig aan de ringvlakte is;

— inz. zulk eene plaat waarop iets geschreven of geteekend is : de tafelen der wet, de steenen tafelen, de steenen platen waarop Mozes de wet had geschreven; de twaalf tafelen, waarop de wetten der Romeinen gegrift waren;
— blad papier waarop iets opgeschreven is, inz. in eene gemakkelijke volgorde, bij wijze van overzichttabel, register, lijst: genealogische tafels; chronologische tafels; tafel der oude en der nieuwe maten; logarithmentafels; tafels van vermenigvuldiging;
— gewoon stuk huisraad, hoofdzakelijk uit een horizontaal blad, op één of meer pooten rustende, bestaande, om daarop wat te zetten, te loggen of daaraan wat te verrichten: eene vierkante, ronde tafel; tafel op één poot; neerslaande tafel, waarvan men het blad kan neerlaten;
— werktafel in vele bedrijven;
— de tafel voor iemands deur brengen, iemands inboedel publiek gaan verkoopen;
— (fig.) ridders van de ronde tafel, ridders van koning Arthur (in de middeleeuwen;)
— de groene tafel, de speeltafel, de speelbank ; (ook) tafel waaraan het bestuur zit (in eene vergadering), tafel der ministers in eene landsvergadering;
— een voorstel ter tafel brengen, (in eene vergadering) ter sprake brengen, aan de orde stellen;
— (aan de Algemeene Rekenkamer) de Eerste Tafel, de leden die de inkomsten nagaan, terwijl de Tweede Tafel de uitgaven controleert;
— de Magnaten-tafel in Hongarije, het Hoogerhuis van den Hongaarschen landdag;
— eettafel: de tafel dekken, voor het maal gereedmaken; de tafel afnemen;
— aan tafel gaan, om te gaan eten;
— aan tafel zijn, zitten, bezig zijn het (middag)maal te gebruiken (wel te onderscheiden van aan de tafel zitten, tot het verrichten van eenige werkzaamheid gewoonlijk);
— aan tafel moet men niet veel spreken, onder, het eten;
— men sprak over tafel van, onder het eten;
— open tafel houden, open hof houden, ieder gastvrij onthalen;
— (spr.) iem. onder de tafel drinken, zoo lang tegen iem. opdrinken, tot hij van zijn stoel onder de tafel rolt;
— onder de tafel liggen, wegens dronkenschap;
— bij iem. tafel en bed hebben, een goed thuiskomen;
— (recht.) van tafel en bed scheiden, de dagelijksche en onderlinge samenleving doen ophouden, zonder nog den huwelijksband te verbreken;
— de tafel des Heeren, het Avondmaal, (R. K.) hoogtijd, communie : tot de tafel des Heeren naderen, aan tafel gaan, aan het Avondmaal deelnemen; (bij de R. K.) communiceeren;
— de wijze van leven, maaltijd, kost van iem. van eene goede tafel hemden, gaarne lekker, goed eten en drinken;
— zijne tafel kost hem niet veel, hij geeft niet veel voor zijne maaltijden uit;
— het was daar een tafeltje welbereid, een welvoorziene disch;
— de personen die gezamenlijk maaltijden : de tafel bedienen, de gasten aan tafel; daarom lachte de geheele tafel, alle aanzittenden; wij hadden daar eene besloten tafel, een vast tafelgezelschap, waarbij geene anderen werden toegelaten. TAFELTJE, o. (-s), kleine tafel.