Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Veel

betekenis & definitie

Het begrip veel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. veel - VEEL - onbep. hoofdtelw. (meer, meest), het tegenovergestelde van weinig : veel te schrijven, te werken hebben;
bijvoeglijk gebruikt wordt het verbogen als een sterk adjectief, behalve wanneer het een maatbegrip, eene groote hoeveelheid uitdrukt, dan blijft het onveranderd : van vele zaken verstand hebben; aan vele gevaren blootstaan; het vele geld was zijn verderf; veel menschen zien, veel kinderen hebben; veel geld verdienen; (spr.) veel hoofden, veel zinnen, ieder wil zijne eigen meening hebben; veel heil en zegen in het nieuwe jaar, gebruikelijke nieuwjaarwensch;
— gevolgd door een zelfst. naamw. in den partitieven genitief blijft het ook onverbogen: veel gelds; veel tijds, veel volks; dat is niet veel zaaks, beteekent niet veel;
— zelfstandig gebezigd, beteekent het vele dingen, voorwerpen : ik zag veel dat mij niet beviel;
— niet hoe veel, maar hoeveel, het is beter op de hoedanigheid, dan op het aantal te letten;
— op personen wijzende, komt het gewoonlijk in den lsten en 4den naamv. ook met n voor: velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren; hij heeft veler achting verdiend;
— hier heb ik al te veel, veel te veel (in de volkstaal : veels te veel);
— bw. van hoeveelheid en graad : ik geef er veel omr dat is veel grooter, heb ik veel liever; (volkstaal) weet ik veel, ik kan het je niet zeggen;
— zij zijn niet veel, geringschattend gezegd;
— vaak, dikwijls: veel denken, werken, wandelen; ik kom daar veel; hij is veel thuis.

2. veel - VEEL - zie VEDEL.