Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

UITMAKEN

betekenis & definitie

UITMAKEN - (maakte uit, heeft uitgemaakt), doen uitgaan: die vlekken kunt ge met vlekkenzeep uitmaken;

wat geschreven is doorhalen, uitwisschen;
— eene kachel uitmaken, het vuur doen uitgaan;
— vormen : de koning en de ministers maken de regeering uit; die sommen, bijeengeteld, maken zooveel uit;
— beslissen: wij moeten het samen maar uitmaken, tot eene beslissing komen; dat de aarde om de zon draait, is uitgemaakt;
— uitschelden, noemen: iem. voor dief, leugenaar, voor al wat leelijk is uitmaken;
— zijn, beduiden: wat maken nu f 10 op de heele rekening uit ?; wat maakt dat uit?, wat beteekent dat ?