Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Hem

betekenis & definitie

1. HEM, pers. vnw., m. enk., 3de en 4de nv. van hij geef hem dat boek; geef het aan hem; het is van hem; ik zie hem niet;

ook 1ste nv. hij is hem, is degene dien gij zoekt, (ook) hij is vangman (in krijgertje spelen);
— (Zuidn.) hem zegt, hij zegt.
2. HEM, m. (-men), (gew.) buitendijksch land.
3. HEM, tw. uitroep om de aandacht te trekken: hem hem !; uitroep waarmee men zich de keel schraapt; Vgl. HUM, HM.