Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kleeden

betekenis & definitie

KLEEDEN, (kleedde, heeft gekleed), kleeren aandoen, van kleeren, van de noodige kleedingstukken voorzien gij moét het kind warm kleeden; de bruid kleeden; arme kinderen kleeden;

—• iem. kleeden en reeden, hem van alle noodige kleedingstukken voorzien;
— gekleed worden, het ordekleed aandoen (van priesters en kloosterlingen);
— deze schilder weet zijne beelden goed te kleeden, te drapeeren;
— die hoed kleedt u goed, staat u goed; die lichte japon kleedt haar in ’tgeheel niet;
— (zeew.) bekleeden, smarten, omwoelen met zeildoek of touw; de ankertouwen kleeden, om het doorschuren jte voorkomen;
— zich kleeden, kleeren aantrekken ik ga zoo mee, maar ik moet mij eerst nog kleeden; hij weet zich goed te kleeden, heeft smaak in de keuze zijner kleeren;
— (Zuidn.) iem. kleeden, hem leugens wijs maken hem bedriegen;
— (Zuidn.) goed gekleed zijn, dronken zijn. KLEEDING, v. het kleeden; (zeew.) smarting; (-en), de kleeren.