Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Paard

betekenis & definitie

Paard - o. (-en), sterk en fraai viervoetig lasten trekdier (equus caballus), tot de orde der eenhoevige zoogdieren behoorende; het onderscheidt zich van de andere door den langbehaarden staart, korte opstaande ooren en lange manen; een Arabisch, Engelsch, Friesch paard; een bereden, mak, ■ schichtig, koppig paard; een wild, dampig, stijf, bevangen (verkouden) paard; te paard stijgen, klimmen, zitten, rijden; te paard komen; een optocht te paard, cavalcade ; een paard bij den toom houden, leiden;

— paarden van zessen klaar; paarden mennen, besturen door leidsels en zweep;
— paarden afrijden, er mede voor het eerst rijden, als zij nieuwe hoefijzers hebben gekregen; ook schichtige paarden, door ze hard te laten loopen of te laten werken vermoeien, afmatten, om ze gemakkelijk te kunnen leiden;
— paard onder den man, rijpaard; paard en rijtuig houden;
— hij houdt er een paard op na, hij bezit een rijpaard;
— dit paard teekent niet meer, is aftandsch, is boven de 8 jaar;
— (in spr.) (w. g.) op zijn paard komen, toornig, boos worden;
— iem. te paard helpen, hem voorthelpen, begunstigen, ondersteunen; (ook) hem aan eene kostgevende zaak helpen;
— iem. over het paard tillen, hem te veel roemen, prijzen, hem een grooteren dunk van zich geven, dan hij verdient;
— eene ziekte komt te paard en gaat te voet, eene zware ziekte komt meestal spoedig aan, maar men herstelt er langzaam van;
— ik noem u man en paard, ik zeg u den naam voluit van hem, die het mij verteld heeft, die iets gedaan heeft; (ook) niets verzwijgen, iets in alle bijzonderheden vertellen;
— dat paard ruikt stal, begint harder te loopen, (fig.) hij gaat meer zijn best doen;
— oude paarden jaagt men aan den dijk, als men iem. niet meer noodig heeft, ontslaat men zich er van;
— een gehuurd paard en eigen sporen I maken korte mijlen, eigen goed spaart men meer dan geleend of gehuurd;
— men moet geen gegeven paard in den bek zien, een geschenk moet men niet te nauwkeurig beoordeelen;
— beter een blind paard dan een ledigen halster, iets is nog altijd meer dan niets;
— een blind paard zou er geen schade doen, gezegd van een armoedigen inboedel;
— het paard, de paarden achter den wagen spannen, te laat met iets komen, (ook) de zaak verkeerd aanpakken;
— achteruitgaan als een hollend paard, hollende achteruitgaan;
— paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet, verdienste wordt niet altijd beloond;
— het oog van den meester maakt het paard vet, die zelf zijne zaken bestuurt, vaart er het beste bij;
— men kan een paard niet loopende beslaan, alles vereischt tijd;
— het hinkende paard komt achteraan, de bezwaren, de lasten toonen zich aan het einde;
— het beste paard van stal; de beste paarden worden op stal gezocht, gezegd tegen een trouwlustig meisje, dat zich te veel op den voorgrond wil plaatsen; zie verder PAARDJE;
— het beste paard struikelt wél, de beste en verstandigste kan soms dwalen;
—• dat paard zal mij niet meer slaan, voortaan zal ik wijzer wezen;
— een paard op de stang rijden, het flink den teugel doen gevoelen;
men moet een paard den rug niet stuk rijden, men moet van iets of iem. niet te veel eischen;
— het Trojaansche paard inhalen. iem. binnenhalen van wien men later veel overlast heeft;
— (myth.) het gevleugeld paard, Pegasus, de dichthengst;
— hij is zoo sterk als een paard, hij is buitengewoon, in hooge mate sterk; evenzoo : werken, zweeten als een paard; de koorts, een honger als een paard hebben;
— het is eene hoer als een paard, zij is eene groote hoer;
— het is een wijf als een paard, eene zware, groote vrouw;
— het paard in een schaakspel;
— de paarden van een draaimolen;
— een lange springbok in de gymnastiek;
— onderdeel van verschillende werktuigen;
— een houten paard, hobbelpaard; ook vroeger een strafmiddel voor matrozen en soldaten;
— (timm.) eene soort van schraag om de onderlagen in eene bedstede te dragen; houten schraag om daarop hout te zagen;
— (bij leidekkers) houten stoel die met een haak op het dak vastgemaakt wordt;
— (zeew.) rij balken onder het midden van het onderste of op één na onderste dek geplaatst;
— touw, dat in een bocht onder de raas hangt en den matrozen dient om er op te staan bij het aanslaan, reven, vastmaken van de zeilen;
— (bouwk.) spits toeloopende afdekking van een steenen muur, ezelsrug;
— (sterrenk.) het groote paard, Equus, Pegasus; het kleine paard, Equuleus, Cyllaris, namen van twee sterrenbeelden.