Wat is de betekenis van zitten?

2022
2022-12-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

zitten

1) (1972) (euf.) voor het raam zitten; in de prostitutie werken. • Af en toe liet ze de vrouwen in het café vragen, of ik bij haar wilde komen, als ze ‘zat’. (Hermine Heijermans: Nog meer minnaars en vele lichte vrouwen. 1972) • Wat is er in godsnaam met die man, dat de vrouwen zo laveloos zijn, dat ze voor hem ‘...

Lees verder
2019
2022-12-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zitten

zitten - Werkwoord 1. (inerg) op het zitvlak rusten Ik heb lekker in het zonnetje gezeten. Er wordt zelden op die stoel gezeten. 2. ergatief zetelen, plaats genomen hebben Hij was gezeten op een...

Lees verder
2018
2022-12-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zitten

zitten - onregelmatig werkwoord uitspraak: zit-ten 1. daar zijn ♢ hij zit boven 1. in het bestuur zitten [bestuurslid zijn] 2. op voetbal zitten ...

Lees verder
2017
2022-12-07
Prostituees en pooiers

Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Zitten

Zitten - voor geld zitten: zich prostitueren.

2004
2022-12-07
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

zitten

- ik heb het zitten, ik heb het te pakken, ik zit ermee, ik ben de dupe. - ik zit erdoor, ik kan niet meer, ik ben aan het eind van mijn krachten. - er zit niet veel in, gezegd van personen die niet van aanpakken weten. - er voor iets tussen zitten, er iets mee te maken hebben. Zaterdag was de opkomst wat minder, maar d...

Lees verder
1998
2022-12-07
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zitten

zie ook het zit er aan te komen (aankomen). 1. daar zit ik toch niet mee, onder (Amsterdamse) scholieren vaak geroepen als een leerling de klas uitgestuurd dreigt te worden. 2. dat zit nog, dat staat nog lang niet vast. Informele uitdr. 3. ergens mee-, ergens problemen mee hebben. Deze uitdr. kan men tegenw. nog moeilijk als informeel beschouwen. Z...

Lees verder
1998
2022-12-07
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

zitten

1. Verdeeld zijn (bij de tegenpartij), zoals in: ‘De schoppen zitten vier-een.’ Soms wordt ‘zitten’ als synoniem gebruikt voor rond zitten. 2. Gesitueerd zijn (bij een bepaalde tegenstander), zoals in: ‘Schoppen heer zat fout.’ 3. Gezeten zijn (in een bepaalde windrichting). 4. Zich bevinden (in een contract). 5. Niet bewegen; synoniem voor geslach...

Lees verder
1997
2022-12-07
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

zitten

Een correspondent uit Gelderland kent in 1974 de verwensing ga maar op de blauwe steen zitten! met de betekenis ‘vlieg op, verveel me niet’. Hij tekent daarbij aan: “Op de Grote Markt in Nijmegen ligt een blauwe steen.” Een blauwe steen werd vroeger gebruikt om ter dood veroordeelden op terecht te stellen. In Leiden i...

Lees verder
1990
2022-12-07
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

zitten

zitten - De handeling waarbij men zich op een object of op de grond plaatst met het lichaamsgewicht op het zitvlak. In verbogen vorm verwijst de term naar een personage in een zittende houding.

1977
2022-12-07
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

zitten

zitten - 1°. Met iem.-, ongehuwd samenwonen, ‘hokken’. Hij zit mee' een die zijn vrouw nie’ is, CÖRN.VKRVL.2°. (Voor geld) -, zich prostitueren; eig. ‘op een kamer zitten’ (vgl. kameren). Item van den 'lichten verven, die om geit sitten, in Bedr. Hist. Gen. 9, 67 [Utrecht, 1411]. Daatje de Pruik...

Lees verder
1973
2022-12-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zitten

(zat, heeft of is gezeten), 1. (van mensen en dieren) zich bevinden in de houding waarbij het lichaam rust op het zitvlak: te paard -; ga -, neem plaats; er eens (goed) voor gaan -, in den brede gaan vertellen; blijf-, sta niet op, ga niet weg; te -, zich zitten vervelen; aan tafel-, bezig zijn met eten; de vogels — in de bomen, rusten daar o...

Lees verder
1952
2022-12-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zitten

v., sitte, siet, sitten; overeind voorover, in elkaar gedoken gaan —, jin oerein, foaroer, yninoar jaen; -de bedekken, bisitte; er lelijk voor —, der slim ta sitte; dat zit hem hoog, dat leit him heech; het zit me tot hier, it sit my tsjin de kiel oan, it hinget my ta de strôt kiel...

Lees verder
1950
2022-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zitten

(zat, heeft of is gezeten), 1. (van mensen en dieren) gezeten zijn, zich bevinden in die houding waarbij het lichaam rust op het ondereind van de rug, het zitvlak : op een stoel, een bank, op de grond zitten ; bij de tafel, aan het venster zitten ; ik heb de hele dag gezeten ; te paard zitten ; (ja zitten, neem plaats; &...

Lees verder
1937
2022-12-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zitten

zat, h. en i. gezeten (1 gezeten zijn; 2 zich bevinden, zijn; 3 in de gevangenis zijn inz. als volt. deelw.; 4 passen, kleden, staan; 5 in verschillende opvattingen, waarbij de grenzen der bet. niet altijd scherp te trekken zijn, dikwijls verbleekt tot een koppelw.w.): 1. op een bank, een stoel, een paard, op de grond zittenl zitten, zitten blijven...

Lees verder
1930
2022-12-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

zitten

('zittən) (zat, heeft en is gezeten) 1. op een stoel enz. plaatsnemen of plaatsgenomen hebben: ga -; gaat u -, asjeblieft; op een bank, een kanapee -; op de grond gaan -; blijven, hoor! te paard -. Gez. dat laat ik niet op mij -, dat laat ik niet gebeuren; dat meisje is blijven -, is niet ten dans op het bal of niet ten huwelijk gevraagd; da...

Lees verder
1929
2022-12-07
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Zitten

Het zitten in een verkeerde houding, hetzij te veel voorovergebogen, hetzij zijwaarts gekromd, oefent een zeer nadeeligen invloed uit op ademhaling en bloedsomloop en is dikwijls de oorzaak van een blijvende verkromming der wervelkolom (zie Ruggegraatsziekten).

1911
2022-12-07
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Zitten

van den Germ. wt. set, Idg. sed = zitten.

1898
2022-12-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZITTEN

ZITTEN, (zat, heeft of is gezeten), gezeten zijn : op een stoel, eene bank, op den grond zitten; bij de tafel, aan, het venster zitten; ik heb den heelen dag gezeten; te paard zitten; ga zitten, neem plaats; — blijf zitten, sta niet op, ga niet weg; — zit stil, beweeg u niet; — uw vader zit te veel, neemt te weinig beweging; &mdas...

Lees verder
1869
2022-12-07
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Zitten

geld. dorp. Zie SETTEN.

1856
2022-12-07
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Zitten

o.w. - Gestrand zijn, onbewegelijk zijn. Het schip Zit op het droog. Wij Zitten hier veilig.Spreekwijze: Ergends mede aan den grond zitten. (mede verlegen zijn).

Lees verder