Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Raad

betekenis & definitie

Raad m. aanbeveling om iets te doen of te laten, raadgeving: neem dezen raad aan, doe nu wat ik zeg; iemand raad geven; iemands raad inwinnen;

— goede raad is hier duur, men weet haast niet, wat hier te doen het beste is;
— iemand met raad en daad bijstaan, hem niet alleen met woorden, maar ook met daden helpen;
— op mijn raad heeft hij het gedaan, gelaten, omdat ik het hem zoo aanraadde;
— mijn raad zou wezen, dadelijk ontslag vragen, naar mijne meening zou dat het beste zijn;
— hulp, middel: hij weet overal raad voor; raad voor kiespijn;
— veel raad, weinig baat, niet alle middelen helpen;
— hij is ten einde (buiten) raad, hij weet geen enkel hulpmiddel meer, om uit de verlegenheid te geraken;
— komt tijd, komt raad, wanneer het noodig is, zal er wel een middel gevonden worden;
— raad schaffen, de noodige middelen aanwijzen;
— raad noch daad weten, heelemaal niet weten wat te doen;
— hij weet -met zijn geld, zijn leegen tijd geen raad, weet niet hoe die goed te besteden, heeft er te veel van;
— ik weet met dien jongen geen raad, weet niet, wat met hem aan te vangen;
— hij weet met zijne handen geen raad, weet niet hoe die op passende wijze te houden;
— overleg : bij iemand te rade gaan, met hem overleggen;
— met zijne beurs te rade gaan, overleggen of men iets nog betalen of koopen kan, handelen overeenkomstig zijn vermogen;
— de nacht brengt raad, dikwijls weet men den volgenden dag zeer duidelijk, wat te doen het best is, waartoe men den vorigen avond bij het nauwgezetste overleg niet kon geraken;
— besluit, voornemen ; te rade worden, een besluit nemen; niemand kan Gods raad doorgronden;

—, (raden), zeker aantal personen die bijeenkomen om voorstellen te onderzoeken of besluiten te nemen; college met besturende of rechtsprekende macht: familieraad, gemeenteraad, kerkeraad, krijgsraad, zie aldaar;
— Raad van Beheer, belast met het beheer, bestuur van groote maatschappijen;
— raad van beroep, die personen die uitspraak moeten doen op de bezwaarschriften betreffende aanslagen der belastingen; ook eene soort van scheidsgerecht;
— de Raad van State, regeeringscollege van 15 personen aan wier oordeel alle voorstellen, door den Vorst aan de Staten-Generaal of omgekeerd gedaan, benevens alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur, onderworpen moeten worden;
— den Raad van State gehoord, boven wetten, besluiten enz.;
— Raad van Tucht (voor de koopvaardij), raad van zeven personen die een onderzoek instelt naar misdragingen van gezagvoerder of scheepsofficieren; inz. wanneer er een scheepsramp of schipbreuk plaats had;
— de Raad van Indië, eene soort van Raad van State voor Indië, bestaande uit 5 leden;
— de hooge Raad, het hoogste gerechtshof van het geheele Rijk;
— de Hooge Raad van Adel, ingesteld om adviezen te geven in zaken, den adel betreffende;
— raad van administratie, (bij het leger) ingesteld om uitspraak te doen, de administratie betreffende;
— de raad van defensie, (bij het leger) die het plan van verdediging moet opmaken;
— raad van onderzoek, soort van eeregericht, die in bepaalde gevallen moet beslissen, of iemand officier mag blijven of niet;
— inz. gemeenteraad : hij is lid van den raad; de zittingen van den raad zijn hier altijd op Dinsdag;
— den raad afloopen, de raadsleden bezoeken om ze voor een persoon of eene zaak te winnen;
— vergadering van den raad : is er raad van middag ?;
— morgen komt de zaak in den raad, wordt daar besproken en afgedaan;
— (in Ind. inz.) de Raad van Indië;
— lid van een raad: hij is Raad van Indië; dat is een Raad onzer stad.