Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Last

betekenis & definitie

Het begrip last heeft 3 verschillende betekenissen:

1. last - Last m. (-en), zwaar voorwerp, vracht, zwaarte: de lastdieren dienen om lasten te dragen; hij bezweek haast onder den last, dien men hem had opgelegd; deze kolommen zijn te zwak, om den last van zulk een gebouw te dragen;
— inz. lading van een schip, scheepslading: last innemen, laden; last lichten, lossen; las breken, een gedeelte der lading lossen;
— (nat.) eene der krachten, die op een hefboom werken, in tegenst. met macht;
— (fig.) iets moeilijks dat men te verrichten heeft, iets waardoor men gekweld of geplaagd wordt, moeilijkheid, druk, nood, verlegenheid: de arbeid is hem eerder een last dan een genot;
— dit komt te zijnen laste, daarvoor moet hij zorgen;
— de last der jaren;
— hij gaat gebukt onder den last der zorgen;
— (spr.) Holland is in last, er is groote nood;
— de stad is in last;
— (Zuidn.) last verkoopen, lastig, moeilijk zijn;
— last lijden, kosten, bezwaren, moeilijkheden ondervinden, verliezen ondergaan;
— dit zou kunnen last lijden, dit zou bedenkelijke gevolgen kunnen hebben;
— dat lijdt geen last, heeft geen haast;
— (spr.) een goed begin heeft een goed behagen, maar het eindje zal den last dragen, de uitkomst eener onderneming, het einde (eener zaak) zal allesbehalve aangenaam zijn, hoe gunstig alles zich in den beginne ook liet aanzien;
— bezwaring, beschuldiging: iem. iets ten laste leggen, hem van iets beschuldigen; ik weet niets te zijnen laste te zeggen;
— overlast, hinder: zijne kinderen veroorzaken hem veel last; hij heeft daar veel last van de muizen; hij is iedereen tot last;
— die de lusten heeft, moet ook de lasten dragen;
— belasting: in de gemeente-lasten bijdragen; de gronden andere lasten komen voor rekening van den kooper; lusten en lasten, inkomsten en uitgaven;
— opdracht, bevel, gebod iem. last geven tot iets; ik heb in last u hiervan te verwittigen, mij is opgedragen;
— zich van zijn last kwijten, zijn opdracht volbrengen;
— ik heb zoo hoog geen last, zoo ver gaat mijn opdracht niet, (ook) zulk eene uitgave te oorloven mijne middelen mij niet.

2. last - Last o. (-en), inhoudsmaat voor droge waren 30 HL (oudtijds == 36 zakken of 27 mud);
— benaming van het gewicht, waarbij de grootte en het draagvermogen van een schip berekend worden (== 2 scheepston of 2 M3, 2000 KG.);
— een last haring, veertien ton = 17 kantjes.

3. last - Last m. (-en), (Zuidn.) lastpost, lastig, moeilijk mensch.