Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Weer

betekenis & definitie

Het begrip weer heeft 6 verschillende betekenissen:

1. weer - WEER - WEDER, m. (-en), gesneden ram; (Zuidn.) schaap; (sterrenk.) hamel, ram.

2. weer - WEER - v. verdediging tot lijfsbehoud, weerstand : zich te weer stellen, weer bieden, zich verdedigen; beweging; veel weers (moeite) hebben; vroeg in de weer zijn, vroeg op, vroeg aan den arbeid zijn.

3. weer - WEER - v. (weren), een wal, muur enz. waarachter men zich verdedigt;
— haag;
— afgetuinde plaats aan de zee om visch te vangen; gevlochten ijzerwerk tot afsluiting van water, waar gevangen visch in fuiken bewaard wordt.

4. weer - WEER - o. eelt, verharding der huid (inz. aan handen en voeten).

5. weer - WEER - o. zie WEDER : hei weer is nogal goed, onstuimig, buiig.

6. weer - WEER - bw. zie WEDER en de samenstellingen met dit woord.