Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Zijn

betekenis & definitie

Het begrip zijn heeft 3 verschillende betekenissen:

1. zijn - ZIJN, (is, was, is geweest), bestaan, in wezen zijn : er is een God; God die is, die was en die wezen zal;
— ik denk, dus ben ik, grondstelling der leer van Descartes;
— dat kan wél zijn, misschien is het wel zoo ;
— laat liet zoo zijn, als gij voorgeeft, veronderstel; er zijn menschen die..., er bestaan zulke menschen;
— als koppelwoord : dat is aardig, lief, duur, goedkoop, hij is jong, oud, gezond, ziek, zwak ; wij zijn menschen ; dat is te doen; die tuin is te huur. te koop ; mijne pen is zoek ;
— dat is gemakkelijk te doen, kan gemakkelijk gedaan worden;
— dat boek is overal te krijgen, is overal verkrijgbaar ;
— dat was nergens te vinden, kon nergens gevonden worden ;
— leven, zich bevinden, in een zekeren toestand verkeeren : vader is niet meer, leeft niet meer; hij is ter ziele, hij is gestorven ;
— waar is hij tegenwoordig ?, waar bevindt hij zich ?, hij is te Amsterdam, buitenslands ;
— hij is buiten kennis, ligt in onmacht;
— ik ben zoo naar, gevoel mij zoo naar ;
— wat is het, wat scheelt haar ?, waardoor is zij onpasselijk ?;
— hoe is het met den zieke ?, hoe gevoelt hij zich, hoe staat het er mee ?;
— hoe is het ? begint gij haast ?, wat zijt gij van plan ?;
— het is of ik hem meer gezien heb, zoo komt het mij voor ;
— ik doe zooveel in mij is, zooveel ik kan, vermag ;
— daar is niets van aan, van waar, alles is gelogen ;
— behooren : van wien is dat potlood ?; van wien is dat boek ?, (ook) wie is de schrijver ervan ;
— beduiden, beteekenen : wat zou dat zijn ?;
— wat moet dat zijn ?, wat moet hier staan (van een onduidelijk of verkeerd woord of cijfer gezegd);
— om een zekeren tijd uit te drukken : morgen is het drie weken (geleden); het is tien uur ; het is laat, avond, Woensdag;
— als hulpw. van den verleden tijd : hij is uitgegaan ; er waren gunstige berichten ingekomen; hij is geprezen geworden.

2. zijn - ZIJN, o. het wezen, het bestaan : de strijd tusschen zijn en niet te zijn;
— mijn geheele zijn komt daartegen in opstand, mijn geheele persoon, alles wat in mij is verzet er zich tegen.

3. zijn - ZIJN, bezitt. vnw. van den 3den pers. manl. en onz. enk., van hem : dat is zijn huis, zijn werk ; ieder het zijne geven, ieder wat hem toekomt; hij heeft het zijne gedaan, hij heeft gedaan wat hij moest, wat hij kon;
— de zijne, die hem toebehoort;
— de zijnen, zijne bloedverwanten of betrekkingen ; zijn aanhang.