Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Elkander

betekenis & definitie

ELKANDER, gemeenz. ELKAAR, MALKANDER, MEKAAR, wederzijdsch voorn, de een den ander, wederkeerig in den trein groeten de menschen elkander niet; in elkanders gezelschap; (ook) men vliegt elkander in het haar;

— meestal met voorzetsels verbonden: wij wandelden met elkander, samen;
— zij zitten naast elkander de een naast den ander; twee touwen aan elkander binden; de landerijen grenzen aan elkander;
— twee personen aan elkander brengen, maken dat ze twist krijgen of handgemeen worden;
— zij maakt het achter elkander af, zonder op te houden;
— bij elkander komen, samenkomen, elkander bezoeken, omgang hebben;
— de kinderen loopen door elkander. niet in rijen;
— die beteekenissen van dat woord, ook die woorden loopen door elkander, zijn niet streng gescheiden;
— alles ligt door elkander, overhoop, niet uitgezocht;
— door elkander genomen, gemiddeld, niet elk afzonderlijk;
— hoe zit dat in elkander ? hoe is het samengesteld, hoe is het ermee gesteld ? (ook) wat is nu het rechte van die zaak ?;
— zij moeten dat onder elkander maar uitmaken, onderling;
— op elkander liggen;
— op elkander gepakt zijn als haringen in eene ton, zeer ongemakkelijk zitten, liggen op eene veel te kleine plaats;
— twee vijanden tegen elkander opzetten;
— voor elkander loopen, de een voor den ander;
— (gew.) iets niet voor elkander kunnen krijgen, brengen, het in orde brengen, klaar spelen;
— met de armen over elkander zitten, ze gekruist over de borst hebben, niets doen (ook) als teeken van moedeloosheid; zie AANEEN, ACHTEREEN, BIJEEN, DOOREEN, INEEN. ONDEREEN.