Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Regeeren

betekenis & definitie

Regeeren - (regeerde, heeft geregeerd), regelen, besturen: een schip, een paard regeeren;

— het roer regeeren, goed kunnen sturen;
God regeert de wereld, regelt daarin alles;
— in, over een land regeeren, heerschen;
— het gezag uitoefenen: de vrouw regeert haar man; hij heeft lang geregeerd;
— hij wil alleen regeeren, alleen het gezag uitoefenen, (ook) alleen alles regeeren;
— strenge heer en regeeren niet lang, wie al te streng is, verliest spoedig zijn gezag, scherts, ook gezegd van strenge hitte of koude, dat die niet lang zullen aanhouden;
— de cholera regeert daar, heerscht er;
— waar liefde regeert, alles regelt, beheerscht;
— bedwingen, doen gehoorzamen; die kwade jongen is niet te regeeren;
—zichzelf niet kunnen regeeren, geen meester over zichzelf zijn;
— geen geld kunnen regeeren, het niet verstandig uitgeven of bewaren;
— men moet zijn tong regeeren, weten wat men zegt, kunnen zwijgen;
— zijne hartstochten, zijne zenuwen regeeren hem, hij kan ze niet bedwingen;
— (taalk.) de meeste voorzetsels regeeren den vierden naamval, worden door een zelfstandig naamwoord in dien naamval gevolgd.