Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

WAT

betekenis & definitie

WAT - vragend voornw., meestal zelfstandig gebruikt en naar zaken vragende : wat is er ?; wat hebt ge daar ?; wat is er van uw dienst ?; zoowel in de rechtstreeksche vraag ; hij vraagt: wat doet gij ? als in de niet rechtstreeksche vraag ; hij vraagt, wat gij doet;

— wat ?, als uiting dat men iem. niet goed verstaan heeft en hem uitnoodigt zijn zeggen of vragen te herhalen;
— in verbinding met de voorzetsels aan, te, naar, met enz. wordt het gewoonlijk vervangen door het overeenkomstige voornaamwoordelijk bw. dat met waar begint: waaraan {aan wat) denkt gij ?; waarin {in wat) bewaart hij het ?
— bijvoegelijk gebruikt kan het zoowel naar personen als naar zaken vragen en beteekent dan welk, hoedanig : wat man is dat ?; wat vleesch is het lekkerste; wat wind heeft hem dat aangewaaid ?;
— gewoonlijk is het in deze bet. vergezeld van voor, voor een (waarbij voor dan niet de kracht van een voorzetsel heeft): wat voor een man is dat ?, wat voor man is dat?, de gewone wijze van vragen en in beteekenis verschillende van: wat een man is dat ? wat man is dat ?; wat voor weer is het ?;
— wat kan ook van het zelfst. naamw. gescheiden voorkomen : wat is dat voor een man ?
— in uitroepende zinnen dient het meer om de kracht der uitdrukking te verhoogen, dan wel te vragen en is dan vaak vergezeld van al, een : wat beste boter !; wat lekkere kersen !; wat al banaliteit!; wat al fouten in dat opstel!; wat een ezel is dat!; wat een ongelukken op één dag !; wat een brood eet hij daar !

—, betrekkelijk voornw. : doe dat wat ik u zeg; dat is juist wat ik hebben moet; hij vroeg iets wat ik niet wist; weet gij wat ik gedaan heb ?; het gebruik van wat is noodig na dat, datgene en alles;

—, onbepaald voornw, iets: ik zie wat; ik heb u wat te vertellen;dat is wat anders; wat hij ook zegge,vertrouw hem niet;

—, onbepaald hooftelw. eene kleine hoeveelheid of een klein aantal te kennen gevende, eenig, eenige : geef mij wat suiker; hier zijn wat kersen; hij vroeg om wat geld;

—, bw. van hoeveelheid en graad, een weinig : hij is wat lui en wat vervelend; hij bleef wat rusten; het eten is wat aangebrand; de melk is iet of wat zuur, zeer weinig; blijf nog wat, eene korte poos;
— vrij wat, betrekkelijk veel: hij is vrij wat vooruitgegaan',
— heel wat, zeer veel: ik heb heel wat verdiend;
— in hooge mate (dan heeft wat den klemtoon): hij is wat knap; hij vertelt wat aardig; wij zijn wat gelukkig;

—, bw. van wijze, hoe : wat is ’t vandaag koud !, hoe koud is het vandaag;
— wat ongelukkig!, hoe ongelukkig is dat!; wat zijt gij goed !;
— wat duur !, uitroep als men iets duur vindt;
— waarom : wat lacht gij toch ? wat plaagt gij toch altijd ?

—, tw. wat! komt hij niet ?; och wat ! hij oppassen !; toe wat, maak voort!,

—, o. (-ten), in de loterij, een nummer waarop een prijs gevallen is, in tegenst. met een niet: hij heeft een wat en ik heb twee nieten.