Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Ik

betekenis & definitie

IK, pers. vnw. voor den lsten persoon;

—, o. : het ik; dat ongelukkige eigen ik !, die ongelukkige zelfzucht!
— mijn tweede ik, de persoon, wiens innerlijk of uiterlijk met het mijne overeenkomt, mijn beste vriend, mijn echtgenoot. IKHEID, v. individualiteit, persoonlijkheid.