Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Daar

betekenis & definitie

Het begrip daar heeft 2 verschillende betekenissen:

1. daar - DAAR, bw. op, in die plaats: daar heb ik het boek gelegd;
— ginds let eens op dien jongen daar;
— er daar zijn er, die u niet veel goeds toewenschen;
— hier en daar, op enkele plaatsen; daar ginds;
— het uur is daar, is aangebroken;
— daar straks, voor een oogenblik;
— (met verzwakking der beteekenis) daar was eens, gewone aanhef van sprookjes en vertellingen;
— leelijke aap, daar je bent;
— wie klopt daar;
— daar ligt het, ik smijt het neer;
— daar hebt gij het, dat is juist de zaak, de reden;
— van daar, van die plaats.

2. daar - DAAR, voegw. wijst den grond of de reden aan daar ’t regent, gaat *t feest niet door;
— terwijl; de ridder rent van daar, daar ’t nuchter veld nog dauwt; gij gaat uit, daar ge weet, dat ’t u verboden is.