BAAN betekenis & definitie

v. (banen), dikke plaat staal aan de bovenzijde van een aanbeeld; vlak deel aan den kop van een hamer; het naar beneden gekeerde, schuine vlak van een graveerijzer; ondervlak of zool van eene schaaf; — onderste laag zand of puin als grondslag van een grind-, straat-, spoor- of tramweg; — een in orde gebrachte weg: eene baan vegen (op het ijs); eene gladde baan (op sneeuw of ijs); (ook üg.) een gevaarlijke weg waarop men lioht valt ; — (fig.) zijn baantje schoonvegen, zich van alle schuld vrijpleiten; — nog een baantje halen, nog een poosje gaan rijden; — baantje-rijden, denzelfden weg telkens rijden en geen tocht maken; — de baan warm houden, de ijsbaan op en neerrijden; (fig.) telkens op zijne voorstellen terugkomen, over zijne plannen spreken; — een betreden en gangbare weg; — op de baan komen, (sporttaal) aan een wedstrijd deelnemen, uitkomen; — hij is dag en nacht op de baan, hij is steeds onderweg, (fig.) in de weer; — figuurlijk in de volgende uitdrukkingen zij is het katje van de baan, haantje-de-voorste; — dat meisje gaat de baan al op, het slechte pad, leidt een ontuchtig leven; — op de gladde baan voortrollen, den verkeerden weg opgaan; — (zich) ruim (vrij) baan maken, alles wat hindert, uit den weg ruimen, den doortocht banen; — ruim baan! ga mij uit den weg, laat mij passeeren; — iem. ruim baan geven, de gelegenheid geven tot; — de baan breken, een weg banen, (fig.) iets goed voorbereiden; — iem. van de baan knikkeren, hem onderkruipen, den voet lichten; — weer op de baan zijn, weer hersteld en aan het werk zijn; — iets op de baan brengen, op het tapijt, te berde brengen, voorstellen; — iets op de lange baan schuiven, telkens uitstellen en daardoor niet behandelen, er zich afmaken; — dat is van de baan geschoven, voorgoed uitgesteld; — (fig.) pad, weg, zie LEVENSLOOPBAAN; — hij is zijne baan ten einde, het is met hem gedaan; — vlakke of vlak gemaakte strook gronds om gevogelte te vangen; — eene enkele, dubbele baan, al naarmate men aan ééne, of aan beide zijden een stel netten heeft; — (sport) een bepaald gedeelte van een weg, van een terrein voor wedstrijden, in tegenstelling met weg, zie IJS-, REN-, WIELERBAAN en BAANWEDSTRIJD; — dit paard is voor het eerst in de baan, neemt voor den eersten keer aan een wedstrijd deel; — een wedstrijd op de lange, op de korte baan; een paard, een rijder voor de korte, de lange baan, dat (die) alleen op die baan mededingt; — de afstand, de lengte van de baan; — een wedstrijd op de vlakke baan, zonder hindernissen; — benaming voor zekere deelen van verschillende werktuigen (stoomw.) de weg waarlangs zich een deel van het stoomtuig schuivend beweegt; (mol.) goot waarlangs het meel uit de molensteenen neervalt in den zak; (buskruitmolens) geul in den legger om het te vermalen mengsel onder de loopers te houden; (wev.) waterpasplankje waar de schietspoel overheen loopt; — deel van de werkplaats van den touwslager, vgl. LIJNBAAN; — weg dien een voortbewegend hemellichaam aflegt, zie AARDBAAN; — de schijnbare baan, de lijn die een hemellichaam aan het uitspansel beschrijft; — de ware baan, die uit de schijnbare wordt berekend; — weg door een projectiel afgelegd de baan van den kogel is eene parabool; — strook van eene stof in hare volle breedte: boerinnen houden van wijde rokken, liefst van zes banen; — (van eene vlag) de Nederlandsche vlag heeft drie banen: rood, wit en blauw; — (van een vloerkleed) in deze kamer zijn 8 banen noodig; — (van behangselpapier) er gaan 3 banen uit een rol; voor dien muur zijn vijf banen noodig; zie BAANTJE.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018