Houden betekenis & definitie

HOUDEN, (hield, heeft gehouden), verzorgen, onderhouden: vee houden; een hond houden; paard en rijtuig houden, eigen paard en rijtuig hebben; knechts, dienstboden houden; eene maitresse (er op na) houden; — iets er op na houden, het hebben en er zich van bedienen; — zijn zorg wijden aan, zich bezighouden met: eene school houden; een hotel houden; — bezig zijn met: vergadering (of zitting) houden; krijgsraad houden; een maaltijd houden; — bruiloft, kermis houden, vieren; — Zondag (of sabbat) houden, dien als rustdag vieren; — eene redevoering houden, eene rede uitspreken; — een gesprek houden, een gesprek voeren; — de wacht houden, op de wacht staan; — in acht nemen: zijn woord (belofte, de geboden enz.) houden, nakomen; rust houden; — het oog op iets houden, er het oog voortdurend op gevestigd hebben, er op letten, zijne aandacht aan wijden; — iem. in het oog houden, op hem letten, (fig.) zijn gedrag nagaan; — rekening met iets houden, het meetellen, het in aanmerking nemen; — in een zekeren toestand houden: tamboer, houd je armen stijf, houd ze netjes aan je lijf; dat paard houdt zijn kop fier; iets achterbaks houden; voet bij stuk houden, zie VOET; — iets aan den gang houden, zorgen dat het gaande blijft; — (Zuidn.) leven houden, lawaai, rumoer maken; — eene zaak slepende houden, haar niet afdoen; — iets buiten gebruik (buiten dienst) houden, het niet gebruiken; — iem. ergens buiten houden, hem er niet in betrekken, hem niet inlichten; — de zaken uit elkander houden, niet dooreenwarren, ze onderscheiden; — iem. de hand boven het hoofd houden, hem beschermen; — iem. in eere houden, hem eeren; — iem. in toom (in bedwang) houden; — iem. kort houden, hem weinig vrijheid laten, weinig zakgeld geven; — hij houdt het ontzag er in, doet zich ontzien; — de aandacht geboeid houden, de aandacht voortdurend boeien; — de voeten warm houden; het huis schoon houden; het huwelijk rein houden; het vaderland hoog houden; — vasthouden: het zwaard in de hand houden; iets tegen het licht houden; een kind ten doop houden; iem. aan zijn woord houden, verlangen dat hij nakomt wat hij beloofd heeft; — hij is gehouden om het te dom, hij is er toe verplicht; — vasthouden, niet loslaten: ik kan het niet langer houden, ik moet het laten vallen; — het ijs houdt al, is al sterk genoeg; — de lijm houdt niet, het gelijmde voorwerp gaat los; — die verf, kalk houdt niet, bladdert, gaat los; — tegenhouden, vastgrijpen: houd den dief!; — terughouden: er is geen houden aan; — als hij eenmaal begint, dan is hij niet te houden; — het eene zwaard houdt het andere in de scheede; — den mond houden, zwijgen; — ik kon mijn lachen, mijne tranen niet houden, niet bedwingen; — zijn water houden, het inhouden, niet urineeren; — behouden, bij voortduring hebben: ge moogt het houden; hij heeft mijn boek gehouden, niet teruggegeven; laat het hem maar houden; die wat houdt, die wat heeft, die wat bewaart, heeft wat; — (spr.) geven is eene eer, maar houden is profijt; — iets met al zijn hebben en houden, zie HEBBEN; dat boek houdt zijn waarde, vermindert niet in waarde; — iets voor zichzelf houden, het niet aan anderen weggeven; iets voor zich houden, het niet vertellen, bekendmaken; — iets (aan iemand) te goed houden, het (van hem) te vorderen hebben; — iets aan zich houden, zich de beslissing voorbehouden; — iets te leen houden, (hist.) (land) te leen hebben, er als leenman over gebieden; — houden van iemand (of iets), veel ophebben met, liefhebben, beminnen: hij houdt te veel van zichzelf; ik houd veel van mijne moeder; zij houden niet van elkaar; het met iemand houden, hem aanhangen, hem toegedaan zijn; (ook) in eene ongeoorloofde betrekking met hem (of haar) leven; — zij houdt niet van wijn, drinkt dien niet gaarne; ik houd er niet van, dat. .., ik vind dat niet aangenaam; — inhouden, bevatten: hoeveel houdt dit vat?; het glas houdt ½ liter; (van maat): dit stuk linnen houdt 20 M.; die plank houdt 18 voet; — bewaren: deze stof houdt kleur, verkleurt niet; moed houden, den moed niet verliezen; steek houden, proefhoudend blijken, het uithouden: dat houdt geen steek, gaat niet op, deugt niet; — iets in (de) gedachten houden, het niet vergeten; — (rekenk.) (bij het optellen) 6 en 8 is 14, 4 ik houd er 1; — iemand iets ten goede houden, het hem niet kwalijk nemen; — houden voor, meenen, beschouwen als: ik houd u voor den zegsman; hij wordt algemeen voor een eerlijk man gehouden; waar houdt ge mij voor?, voor welken booswicht ziet ge mij aan?; ik houd het voor billijk; ik houd het er voor, dat ge gelijk hebt, ik meen, dat. . .; — ik houd van ja (van neen), ik meen van wel (of niet); ik houd 20 gulden, dat het niet waar is, ik wed om ƒ 20; ik houd drie gulden op zijn hand (in het spel); — volgen: ge moet dezen weg houden; rechts houden, den rechterkant volgen; (zeew.) bij den wind houden, den rechterkant volgen; (zeew.) bij den wind houden, bij den wind zeilen; hij kan geen wijs houden, de zangwijs niet zuiver zingen; — blijven op eene plaats, in een toestand; ergens verblijf houden, er vertoeven; — zijn kamer houden, het bed houden, de kamer, het bed niet mogen verlaten; — zee houden. in zee blijven; — ergens kantoor houden, zijn kantoor hebben: hij houdt kantoor aan huis; te Delft houdt een bataljon infanterie garnizoen; — vertoeven laten, herbergen: iemand bij zich houden; ik kan je vandaag niet houden; ik wil die meid niet langer houden, in dienst hebben; — — zich houden, zich gedragen: zich goed houden, zich kordaat gedragen; — zich taai houden, niet licht toegeven, het lang uithouden; — zich gezond houden, gezond blijven; — den schijn aannemen: hij hield zich, alsof hij er niets van wist; hij houdt zich maar zoo; zich doof, dom, ziek houden, den doove, den onwetende spelen, doen alsof men ziek is; — zich richten naar: houd u aan wat ik zeg; zich aan de wet (een voorschrift enz.) houden, niet in strijd daarmee handelen; — zijn: zich overtuigd houden, overtuigd zijn; — zich stil houden, stil zijn, zwijgen; — zich vasthouden: hij viel, maar hij wist zich nog aan een touw te hooiden; — zich inhouden, zich bedwingen: ik kon mij niet langer houden; — verblijven, standhouden; (jag.) het wild houdt, blijft op dezelfde plaats, vlucht niet weg; — (Zuidn.) gelegen zijn, zitten: waar houdt het u?, waar gevoelt gij pijn of ongemak; — uithouden: de stad hield het lang; ik kan het tegen hem niet houden, hen niet tegen hem bestand; 't is hier niet te houden van de warmte; — het houdt heel wat, er is veel aan vast, het duurt lang; — het zal er aan houden (of het zal hard houden), het is de vraag of . . ., het zal moeite inhebben; — (gew.) ik weet niet waar het hem aan houdt, waar het aan ligt, wat de reden der vertraging enz. is.

Gepubliceerd op 13-09-2018