Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VANGEN

betekenis & definitie

VANGEN - (ving, heeft gevangen), met de handen, klauwen of op eenige andere wijze grijpen, vatten, in zijne macht krijgen : vliegen, vlinders vangen; de kat vangt muizen; mollen met eene val, vogels met terne klepkooi, visschen met een net, met den hengel vangen; een vluchteling vangen, pakken en vastzetten;

— (spr.) iem. vangen, betrappen, (ook) er in laten loopen; zij heeft hem in hare netten gevangen, aangetrokken, bekoord, houdt hem aan zich geboeid; zich laten vangen, laten bedriegen;
— in zulke waters vangt men zulke vissen, van zoodanige lieden moet men zoodanige behandeling verwachten, (ook) zulke oorzaken hebben zulke gevolgen; dat is loon naar werk;
— iem. in zijn eigen woorden vangen, verstrikken;
— wij zitten hier niet om vliegen te vangen, om onzen tijd te verbeuzelen;
— een uiltje vangen, een dutje doen;
— bot vangen, slagen oploopen, (ook) ergens tevergeefs aankloppen;
— slib vangen, een ongunstig antwoord op zijn verzoek krijgen;
— dat paard vangt zich, de hoefijzers raken in elkander vast, het trapt de ijzers af;
— opvangen : regenwater vangen; (zeew.) de boei, het anker vangen, ophalen;
— stuiten: den molen vangen;
— wind vangen; (spr.) hooge hoornen vangen veel wind, zie WIND.