Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Drie

betekenis & definitie

Het begrip drie heeft 2 verschillende betekenissen:

1. drie - DRIE, v. (drieën), eene Arabische drie (3) en eene Romeinsche drie (III);
— Schotsche drie, dans (in den driepas); eene zijde van een dobbelsteen, welke drie oogen heeft; helft van een domino-steen met drie oogen; kaart met drie figuren harten drie, ruiten drie.

2. drie - DRIE, telw. hoofd- of grondgetal, twee plus één;
— hij kon geen drie tellen, wist van verlegenheid niets te doen; (ook) hij was buitengewoon dom;
— (gew.) meer dan drie jaar oud zijn, niet dom zijn, weten wat men doen of laten moet. ’t Heeft de waarde van een ranggetal in hoofdstuk drie; hij is van het jaar drie; Willem drie; drie April (kaartsp.) ik roem er drie, d. i. drie kaarten, staat gelijk met ik roem. een derde, d. i. drie opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur. DRIEËN, (het telw. DRIE, beschouwd als een zelfstandig gebruikt bn. in het meerv.) drie personen ze werden bij drieën binnengelaten, drie aan drie; een gezelschap van drieën; deel dit onder u drieën; zij waren met hun drieën (hun hier voor hen);
— (spr.) alle goede zaken (dingen) bestaan in drieën (meest schertsend gebruikt): wat goed is mag men wel ten derden male beproeven;
— drie-in-de-pan, kleine pannekoekjes, drie tegelijk in de pan gebakken;
— het is over drieën, over drie uur;
— iets in drieën breken, in drie deelen;
— hij deed het in drieën, in drie achtereenvolgende malen;
— ik geef (zet) het u in drieën (te doen), ik geloof niet, dat u het kan doen;
— (rekenk.) regel van drieën, bewerking tot het vinden van een getal door het als vierden term eener evenredigheid te beschouwen.