Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Keer

betekenis & definitie

KEER, m. (-en), omwending; verandering: de ziekte heeft een goeden keer genomen;

— (spr.) gedane zaken hebben (nemen) geen keer, dingen die gebeurd zijn, zijn niet meer te veranderen;
— iem., iets te keer gaan, tegenwerken, beletten;
— te keer gaan, rumoer, leven maken, opspelen;
— maal, reis, herhaling ik ben twee keeren bij u geweest; in één keer; keer op keer, keer aan keer, telkens.