Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Alleen

betekenis & definitie

Het begrip alleen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. alleen - Alleen bn. (praedic.), zonder gezelschap ik zat uren lang alleen; die moeder laat dat kleine kind vaak alleen thuis; het is niet goed dat de mensch alleen zij; ook een ongeluk komt zelden alleen;
— zonder getuigen ik wilde u alleen spreken, ontmoeten;
— zonder steun of hulp de Vader heeft mij niet alleen gelaten. (In deze laatste opvatting wordt alleen wel in samenstelling gebracht: ALLEENBLIJVEN, ...LATEN,
...STAAN,
...ZITTEN; vgl. hij heeft zijn meisje geen oogenblik alleen gelaten, zoo jaloersch is hij en God heeft ons niet alleengelaten; vgl. alleenstaande); de eenzame is altijd alleen, maar wie alleen is behoeft zich daarom nog niet eenzaam te gevoelen). zonder iemands medewerking handelend, zonder hulp dit werk heb ik alleen uitgevoerd (nadruk op alleen); Jan heeft alleen zijn werk gemaakt, niemand heeft hem geholpen; 't kind loopt al alleen; yt is te gek om alleen te loopen, dat is al te dwaas, te ongerijmd;
— (ellipt.) samen zouden we *t wel kunnen, maar alleen is er geen denken aan;
— uitsluitend (’t bepaalde woord heeft nu den nadruk. vgl. boven): God alleen is goed, en niemand anders; alleen zijn oom was overgekomen;
— Jan alleen heeft zijn werk gemaakt, niemand anders dan Jan;
— alleen de Liefde kan deze wonden genezen; voor u zing ik alleen; ik alleen wensch u te spreken; er is geen God dan Gij alleen; den alleen wijzen God zij eere; het nieuwe alleen kon haar behagen; 't goud alleen is machtig.

2. alleen - Alleen bw. uitsluitend, slechts, enkel (nadruk op ’t bepaalde zinsdeel): langs dezen weg alleen kunt gij er komen, niet langs een anderen weg;
— hij leeft alleen voor de wereld, voor niets anders dan deze; Jan heeft alleen zijn werk gemaakt, maar zijne lessen niet geleerd; beklaag mij niet, hoor mij alleen aan; ik kan alleen uwe vriendin zijn, niets meer; ik wenschte u alleen even te spreken; ik kom eenig en alleen om u te groeten;
— de verbinding niet alleen
— maar ook treedt met verbleekte beteekenis als aaneenschak. voegw. op dit werk is niet alleen aangenaam, maar ook nuttig, (bijna gelijk aan) is aangenaam en nuttig;
— als bw. voor ’t zinsverband drukt het eene beperking of eene uitzondering uit: ik vind dit opstel goed; alleen is het wat langdradig; deze bloemen zijn verwelkt, alleen de roos ziet nog vrij frisch; bij dichters ook tegenstelling maar, doch.