Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Lijn

betekenis & definitie

Het begrip lijn heeft 4 verschillende betekenissen:

1. lijn - Lijn v. (-en), dun touw, snoer, koord, voor verschillende doeleinden: lang touw, waarmede eene schuit wordt voortgetrokken; hengelkoord (der visschers); touw waaraan de paarden enz. op de markt worden vastgezet; dun touw waarop het waschgoed te drogen hangt; (scheepsb.) koord van wit draad (= 120 vadem lengte), enz.;
— hoornen naar de lijn planten, waarbij een touw gespannen is om eene gelijke rij te krijgen;
— er waren meer dan 500 paarden aan de lijn, op de paardenmarkt aangevoerd; een paard aan de lijn dresseeren;
— (spr.) zij trekken ééne lijn, zijn van één gevoelen, gaan één weg, beoogen hetzelfde doel;
— zachtjes aan (ook zacht van stal), dan breekt het lijntje niet, langzaam gaat zeker;
— langs lijnen van gelijdelijkheid;
— iem. aan het lijntje hebben, met hem kunnen doen wat men wil, ook telkens de vervulling (eener belofte b. v.) uitstellen;
— iem. aan het lijntje houden, telkens opnieuw beloften doen en hem zoodoende „aan de praat” houden, de zaken niet met hem afdoen;
— met een zoet lijntje, met zachte, vriendelijke woorden;
— de lijn wat aanhalen, strenger zijn;
— een lijntje trekken, over tafel een glas wijn met iem. drinken;
— streep, (wisk.) grens van een vlak de lijnen der hand; rechte lijn, afstand tusschen twee punten; gebroken lijn, die niet recht is, maar uit deelen bestaat welke recht zijn; kromme lijn, die niet recht is en ook niet uit deelen bestaat welke recht zijn;
— lijnen trekken, op papier enz.; tusschen lijnen schrijven;
— spoorlijn de Hollandsche lijn; wat maakt die lijn daar een bochten!
— geregelde stoombootdienst: de lijn op Zd.-Amerika; we moeten ergens eene lijn trekken, eene grens vaststellen; om in de lijn te blijven, denzelfden gedachtengang te volgen, zichzelf gelijk te blijven;
— (boekb.) vergulde streep;
— reeks van personen, die van elkaar afstammen, linie: de mannelijke, vrouwelijke lijn; in eene rechte lijn van iem. af stammen; de op-, de neergaande lijn;
— onderdeel der oude lengtemaat (1/12 duim): 2 lijnen = mM.;
— (gew.) lijnhout, liniaal.

2. lijn - Lijn v. (plantk.) (gew.) liend, akkerwinde.

3. lijn - v. (gew.) vlas; nog in samenstellingen lijnplant, lijnzaad, lijnwaad en lijndotter.

4. lijn - Lijn o. (gew.) lijnzaad lijn zaaien.