Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Stel

betekenis & definitie

Het begrip stel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. stel - stel - m. stand, orde: na eene verhuizing is men nog niet duidelijk op stel; zoodra ik op stel ben, op dreef, op orde ;
— van zijn stel zijn, in wanorde, ongerust;
— op stel en sprong, dadelijk, onmiddellijk.

2. stel - stel - o. (-len), stelling, werf: vaten wijn op stel leggen;
— het stel van een wagen, het onderstel ;
— verzameling van bij elkander beboorende zaken : een stel voorschriften ; een stel platen, kaarten, maten en gewichten, gordijnen; een schip moet een dubbel stel zeilen en masten hebben,
— een stel tafelgoed, een tafellaken met 12 servetten;
— een stel porselein; een stel gereedschap;
— toestel, inz. petroleum en gaskooktoestel: de ketel staat op het stel; wij koken alles op het stel. STELLETJE, o. (-s), klein stel;
— (fig.) het was me daar een stelletje, een mooie boel.