Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Weg

betekenis & definitie

Het begrip weg heeft 4 verschillende betekenissen:

1. weg - WEG - m. (-en), pad , gebaand gedeelte gronds (geschikt om beloopen of bereden te worden); inz. tot verbinding van twee plaatsen : groote, gebaande weg; de weg naar Delft;
— een holle weg, weg die veel lager is dan de grond aan weerskanten, ravijn;
— een bedekte weg, waar men tegen het vuur van den vijand beschut is;
— kunstwegen, bestraat, kunstmatig gehard;
— zich op weg begeven, ergens heengaan;
— onder weg zijn; hij is op weg naar Leiden, hij gaat in de richting van Leiden;
— den zelfdenweg houden, in dezelfde richting gaan;
— den weg weten;
— naar den weg vragen, vragen in welke richting men gaan moet;
— (fig.) naar den bekenden weg vragen, vragen naar iets dat men zelf zeer goed weet;
— dat is bekend als de weg naar Kralingen, dat is zeer bekend;
— zoo oud als de weg naar Rome, zeer oud;
— hij is altijd bij den weg, hij is altijd op straat;
— aan den weg timmeren, in het publiek optreden; die aan den weg timmert, lijdt veel aanstoots, vindt veel berechts, wie in het publiek optreedt, moet velerlei aanmerkingen, veler oordeel hooren;
— op den rechten, goeden, verkeerden weg zijn, in de goede, verkeerde richting gaan, (ook fig.) zich goed, slecht gedragen;
— iem. op den rechten weg brengen, hem terechtwijzen (ook fig.);
— op weg helpen, raken, op dreef;
— hij is op weg beroemd te worden, op deze wijze zal hij beroemd worden;
— hij zal zijn weg wél maken, hij zal wel in de wereld vooruitkomen;
— den weg door het leven vinden;
— langs dezen weg slaagt gij, als gij op deze wijze te werk gaat;
— dat ligt op uw weg, hiertoe zijt gij min of meer verplicht;
— het ligt niet op mijn weg, u daarover te onderhoudenr het is mijn plicht niet;
— iem. in den weg staan, hem den doortocht verhinderen, belemmeren;
— hij staat mij daar niets in den weg, voor mijn part blijft hij daar staan;
— die stoelen staan daar in den weg, belemmeren den doortocht;
— het vet zit hem niet in den weg, hindert hem niet, hij is mager;
— daar zit mij iets in den weg, iets maakt mij kregel;
— iem. iets in den weg leggen, iets doen waarover hij kwaad wordt;
— hij staat mij in den weg, belet dat ik mijn doel kan bereiken;
— er is iets in den weg gekomen, er hebben zich zwarigheden voorgedaan;
— hij' zal mij nog wel eens in den weg komen, ik zal hem nog wel eens ontmoeten, spreken, ik zal nog wel eens met hem afrekenen;
— voor iem. uit den weg gaan, ter zijde treden om hem te laten voorbijgaan, (ook fig.) hem mijden, (ook) zich zijn mindere achten;
— zwarigheden uit den weg ruimen, verwijderen, ze doen vervallen;
— iem. uit den weg ruimen, hem dooden;
— met elkander over weg kunnen, met iem. kunnen omgaan, zich met iem. kunnen verdragen;
— hij ging zijns weegs, hij vervolgde zijn weg;
— den weg der deugd bewandelen, een deugdzaam leven leiden;
— den weg van alle vleesch gaan, sterven;
— de wegen der Voorzienigheid, de beschikkingen Gods;
— met zijn tijd, zijn geld geen weg weten, niet weten hoe daarmee aan te vangen;
— afstand tusschen twee plaatsen : dat is nog een heele boeg; een grooten weg nog voor zich hebben, nog moeten afleggen;
— te halver wege omkeeren, (ook fig.) vóór men zijn doel bereikt heeft, het opgeven;
— doortocht: zich een weg banen door de bosschen; het water heeft zich een weg gebaand;
— middel, wijze: zich van slinksche wegen bedienen, slinksche wegen gaan; dat is de kortste, de zekerste weg, de kortste, zekerste wijze om zijn doel te bereiken;
— (scheik.) langs den drogen weg, door verwarming; langs den natten weg, door oplossing; (ontl.) de eerste wegen van het voedsel, het spijsverteringsorgaan, in tegenst. met de latere wegen waarlangs de voedende bestanddeelen in het bloed worden opgenomen, door het bloed worden omgezet enz. WEGJE, o. (-s).

2. weg - WEG - v. (-gen), WEGGE, v. (-n), in den vorm eener wig, aan beide zijden spits toeloopend : eene weg boter;
— broodje in dezen vorm, vaak van fijn tarwemeel met krenten en sukade. WEGJE, WEGGETJE, o. (-s).

3. weg - WEG - bw. (eene verwijdering of een vertrek aanduidende): hij is weg, hij is vertrokken, (ook) hij ligt bewusteloos, (ook) hij is verloren; ver weg, verre verwijderd; de hand weg, neem deze weg; hoofd weg pas op uw hoofd !; de sleutel is weg, zoekgeraakt;
— onafgebroken : achter elkander weg; in eens weg.

4. weg - WEG - tw. verwijder u !; weg met deze gedachte !, verre van mij om hieraan te denken !; weg met de ministers !, als uitroep van misnoegdheid over hunne regeeringsdaden.

{Weg vormt met werkw. een groot aantal scheidbare samenstellingen, waarvan alleen de voornaamste, hier gegeven zijn).