Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Plaat

betekenis & definitie

Plaat v. (platen), geplet stuk metaal, gewoonlijk rechthoekig en vrij dun, dienende om iets te dragen of iets steviger te maken: schoorsteenplaat; plaat op een fornuis; haardplaat onder den schoorsteen;

— dekstuk van een slot, van een geweerkolf, van een koppel;
— (spr.) de plaat poetsen, aan den haal gaan, wegloopen, (ook) wegblijven van het gevecht;
— ijzeren plaat waarop men iets in een oven bakt;
— brood op zulk eene plaat gebakken;
— een plat, vierkant stuk marmer, hout, steen enz.: eene plaat marmer; platen zijn planken, dikker dan 5 cM. en breeder dan 17 ½ cM.;
— bodemplank;
— wijzerplaat;
— achter- of onderstuk van eene drukpers;
— de muurplaat;
— glasplaat;
— (phot.) het negatief: de plaat blijft voor nabestelling bewaard; droge platen;
— (grav.) koper, staal, steen waarop gegraveerd of geteekend is;
— afdruk, prent, afbeelding: een boek met platen;
— (plantk.) vlakker en breeder deel van een bloemkroonblad;
— (aardr.) zandbank;
— (Z. A.) uitgestrekte klip- of rotsbank, klipplaat. PLAATJE, o. (-s), kleine plaat; centenplaatjes, stukjes brons, nog ongemunt en tot centen bestemd.