Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Noodig

betekenis & definitie

bn. bw. vereischt wordende, volstrekt moetende plaats hebben: noodige reparaties aanbrengen; de noodige toebereidselen voor de reis waren reeds gemaakt;

— het is niet noodig, het behoeft niet;
— hebt gij geld noodig ? hebt gij behoefte aan geld ? :
— gij moet noodig eens komen, het is noodig, dat gij eens komt;
— ik moet je noodig eens spreken, noodzakelijk;
— niet noodig, gezegd tot iem. die aan de deur iets te koop aanbiedt;
— gij hebt er niet noodig, gij behoeft er niet te wezen, uw tegenwoordigheid is daar niet vereischt;
— gij hebt er niet mee noodig, gij hebt er niets mee te maken, gij behoeft het niet te weten;
— (gemeens.) jawel, ik heb je noodig, welzeker, dat kunt ge begrijpen, als antwoord op eene vraag als: och kom, leen me een paar gulden.