Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZAND

betekenis & definitie

ZAND, o. mechanisch fijn verdeeld kwarts en glimmer : de rivieren voeren zand mee; het zand der zee, het zand der duinen;

— (spr.) op zand bouwen, op onzekeren grondslag te werk gaan, plannen vormen, verwachtingen koesteren;
— iem. zand in de oogen werpen, strooien, hem bedriegen, misleiden, verblinden ;
— als droog zand aaneenhangen, zonder samenhang zijn, geene geregelde volgorde hebben (van een verhaal, eene redevoering enz.);
—ontelbaar als het zand der zee. in onberekenbare hoeveelheid;
— in het zand schrijven, aan de vergetelheid prijsgeven ;
— (gemeenz.) in het zand liggen, zand verkoopen, dood zijn;
—(gemeenz.) zand er over, spreek daar niet verder over;
— den kop in het zand steken, niet uit zijne oogen willen zien, struisvogelpolitiek voeren;
—, o. (-en), zandbank: het schip raakte vast op het zand ; tusschen de zanden doorvaren;
— strand, zandwoestijn: de Lybische zanden;
— renperk : in het zand bijten, uit het zadel geworpen worden ; (ook) op het veld van eer sneuvelen. ZANDJE, o. (-s), een korreltje zand: er is een zandje in mijn oog geraakt.