Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Blauw

betekenis & definitie

Het begrip blauw heeft 2 verschillende betekenissen:

1. blauw - BLAUW, bn. (-er, -st), zekere kleur, (de kleur der trouw) blauw verven;
— een blauw oog, door een slag opgeloopen oog; bont en blauw, van allerlei kleur, Zie BONT;
hij ziet, is blauw van ellende, van koude, ziet er treurig uit;
— (wap.) een blauw veld, blauwe grond op het schild;
— ridder van den blauwen knoop, geheelonthouder;
— het blauwe kruis, vereeniging tegen drankmisbruik, in 1877 te Geneve opgericht;
— blauw bloed hebben, van adel zijn;
— hij zal er zijne vingers niet blauw aan tellen, hij zal er niet veel van hebben;
— blauwe boon, looden kogel;
— (fig.) een blauwe scheen oploopen, een blauwtje loopen, een vergeefsch aanzoek bij een meisje doen;
— hij is er een blauwen Maandag geweest, zeer kort;
— onder den blauwen hemel slapen, in de open lucht, onder den blooten hemel;
— alle blauwe Maandagen, eens, zelden of nooit;
— blauwe bliksem, brij van meel in water gekookt;
— blauwe zalf, kwikhoudende zalf, veel toegepast bij eene zoogenaamde smeerkuur, bij syphilis enz.;
— blauwe boodschappen, kale uitvluchten;
— (Zuidn.) blauwe bloempjes, praatjes; iem. blauwbloemkens op de mouw spelden;
— blauwe Jan, (bij het geerten of verkeerd jassen), wanneer een der spelers in dezelfde kleur alle acht slagen maakt;
— hij zal er blauw afkomen, hij zal vergeefsche moeite gedaan hebben;
— (Ind.) (matrozentaal) eene blauwe meid, inlandsche, Javaansche meid.

2. blauw - BLAUW, o. blauwe kleur het blauw des hemels;
— blauwe verfstof Berlijnsch blauw;
— Zeeuwsche blauwen, eene soort van aardappelen;
— (Ind.) een blauwe, kleurling, Sinjo.