Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Vlak

betekenis & definitie

Het begrip vlak heeft 3 verschillende betekenissen:

1. vlak - VLAK - bn. (-ker, -st), effen, glad, zonder diepte: de vlakke hand, de platte hand;
— het vlakke veld, het open veld;
— vlakke daken, platte;
iets vlak maken, effen;
— de vlakke zee, kalm, weinig bewogen;
— een vlak terrein, niet begroeid of bebouwd;
— vlakke bergen, platte;
— juist, recht: wij zitten vlak in de zon, vlak in den wind; wij loopen in de vlakke zon, zijn door niets beschaduwd; vlak voor den wind zeilen, den wind juist van achteren krijgen;
— ik woon vlak over de kerk; hij zit vlak vóór mij; (gemeenz.) ik ben er vlak voor, geheel voor;
— dicht, nabij : vlak aan den kant.
VLAKHEID, v. (...heden), effenheid, vlak.

2. vlak - VLAK - o. (-ken), platte effenheid (b.v. der hand): een schuin, horizontaal, loodrecht vlak; een ongelijk vlak;
— (dicht.) het vlak der baren, de oppervlakte der zee;
— (zeew.) buik, deining van een schip, de scheepsbodem;
— (meetk.) grens van een lichaam: platte en gebogen vlakken;
— (nat.) een hellend vlak.
VLAKJE, o. (-s).

3. vlak - VLAK - v. (-ken), vlek, smet: vlakken in iets maken.
VLAKJE, o. (-s).