AFSTAND betekenis & definitie

m. (bijb. dicht.) het laten varen van een voornemen, eene handeling of eene gezindheid afstand van ongerechtigheid; — den eigendom of het bezit van of wel de aanspraak op iets laten varen hij schrikt van een testament, als ware het een voorbarige afstand van zijn goed, in den daarop volgenden morgen werd Napoleon een enkel uur tijd gegeven om te kiezen tusschen een vrijwilligen afstand en eene gedwongen afzetting; — afstand doen van de regeering, van den troon, van de kroon, van den schepter enz., van verder regeeren afzien; — afstand doen als graaf, van de grafelijke waardigheid; — de mensch wil nooit afstand doen van alle hoop, alle hoop opgeven; — afstand doen van de vrijheid, zich die vrijheid ontzeggen; — afstand doen van de wereld, het wereldlijk leven laten varen om zich aan een geestelijk leven te wijden; — akte van afstand, wettelijke oorkonde waarbij men een bezit of een recht afstaat en aan een ander overdraagt; — verdrag van afstand, verdrag tusschen vorsten of staten waarbij de afstand van eene kroon, een gebied geregeld wordt; — —, (-en), de lengte der denkbeeldige rechte lijn tusschen twee plaatsen: een groote, verre, onmetelijke, kleine, geringe, onbeduidende afstand; — (w. g.) (spr.) afstand verzwakt geen vriendschap, de vrienschap blijft onverzwakt, al leeft men ver van elkander; — een afstand afleggen, doorsnellen, doorvliegen enz., dien van het begin tot het einde doorloopen op de wijze als in het ww. is uitgedrukt; — op een afstand, op een grooten, verren, kleinen afstand enz., op eene min of meer verwijderde plaats als ge die teekening op een afstand houdt, komt zij beter uit; — op eerbiedigen afstand, met eene tusschenruimte die van eerbied getuigt, als een blijk dat men zich niet verstout naderbij te komen, vaak schertsend ik bleef op eerbiedigen afstand van den stinkenden poel; — op korte (kleine, groote regelmatige enz.) afstanden, met tusschenruimten als in de bepaling is uitgedrukt; — iem. op een afstand houden, hem noodzaken op eene verwijderde plaats te blijven, hem beletten te naderen; (ook fig.) zorgen dat hij niet te gemeenzaam wordt; — zich op een afstand houden, een zekeren afstand bewaren, van iem. of iets verwijderd blijven staan, niet te dicht bij komen; (ook fig.) zich niet gemeenzaam met hem inlaten; — (fig. zegsw.) iem. of iets op een afstand navolgen, een voorbeeld onvolkomen navolgen; — (in het krijgsw. te land en ter zee) de ruimte tusschen de onderdeelen van een troep, die in kolonne marcheert, of tusschen de schepen eener zeilende, stoomende vloot: afstand bewaren, houden, nemen; — (in de behandeling van vuurwapens) de denkbeeldige lijn van de monding van een vuurwapen naar het doel waarop men aanlegt: de juiste kennis van den afstand is tot het richten noodig; — (in de zeev.) afstand nemen, den boog meten van den grooten cirkel die tusschen twee hemellichamen begrepen is, als b. v. tusschen de maan en de zon (maansafstand), tusschen de maan en eene vaste ster (stersafstand), tusschen twee planeten onderling of tusschen eene planeet en de maan (planetenafstand); — (muz.) het verschil in hoogte van twee tonen: de afstand van c tot g is de zuivere quint; — hij naderde van verren afstand, van eene ver verwijderde plaats; — (dicht.) in den afstand, in de verte, in ’t verschiet; uit den afstand, uit de verte; — van afstand tot afstand, op regelmatige afstanden aan beide zijden van de baan worden van afstand tot afstand paaltjes gezet en een touw er langs geschoren om de toeschouwers buiten de baan te houden; — de verwijdering tusschen twee tijdstippen het nageslacht beschouwt de gebeurtenissen op een afstand; —(w. g.) de afstand van jaren, verschil in leeftijd de afstand van jaren tusschen de beide echtgenooten is groot; — het verschil tusschen twee handelingen of toestanden, het onderscheid tusschen de eene en de andere tusschen een stil engagement en een formeel huwelijk was de afstand zoo groot, dat Karel daarover zich nog niet bezorgd behoefde te maken; — (w. g.) op een afstand geraken (met iem.), in minder vriendschappelijke betrekking tot hem komen; — het verschil in rang of stand de afstand tusschen officier en soldaat, tusschen fabrikant en fabrieker.