Gaan betekenis & definitie

GAAN, (ging, heeft en is gegaan), zich te voet voortbewegen: ik ben dat eind maar gegaan, een rijtuig was mij te duur; het kind kruipt, eer het gaan (gewoner loopen) kan; langs de straat gaan; — niet gaan of staan kunnen, bedlegerig zijn; — gaande en staande zijn, ziekelijk zijn, zonder het bed te moeten houden; — zooals hij gaat en staat, zooals hij is, er uitziet; — waar ik ga of sta, waar ik mij wend of keer, overal: — die weg is een uur gaans; rechtuit-, ver gaan; vlug, langzaam, met bedaarden tred gaan; — in den pas gaan, bij het marcheeren gelijken tred met iem. houden (inz. soldaten); — uit den pas gaan, den gelijkmatigen tred verlaten; — niet uit zijn tred gaan, zich nooit haasten; (ook fig.) altijd bij zijne gewoonte blijven; — hij is de grootste schelm enz. die er op twee beenen gaat; — op zijne muiltjes gaan, zijn gemak ervan nemen, het kalmpjes en bedaard opnemen; — met looden schoenen gaan, schoorvoetend en met tegenzin; — op rozen gaan, in voorspoed leven; — (fig.) hand aan hand gaan, gepaard gaan; — zich voortbewegen en zoo van plaats veranderen: de trein gaat niet, maar staat nog stil; naar huis gaan; — in 't bijzonder met eene nadere bepaling van de wijze, hoe men gaat: naast, voor, achter iem. gaan; trotsch als een pauw gaan; samen, alleen gaan; te voet, per spoor, met de boot gaan; — zich laten gaan, zich laten meesleepen (door zijn gevoel, door drift, hartstochten); willen loopen eer men gaan kan, iets boven zijn krachten ondernemen; — in het grijs, in het zwart, stemmig, opzichtig gekleed gaan, zoo gekleed zijn; in uniform gaan; — vertrekken, weggaan: de trein gaat om zeven uur; willen wij blijven of gaan? er is een tijd van komen en een van gaan; — met hem is het altijd komen en gaan, hij vertoeft altijd zeer kort: — komen en gaan, heen en weer, af- en aanloopen; (ook) geboren worden en sterven; — iemand liever (wel zoo lief) zien gaan dan (als) komen, op zijne tegenwoordigheid niet gesteld zijn; — de gaande en komende man, toevallige bezoekers (inz. in herbergen en winkels, in tegenstelling van de vaste klanten), — iemand laten gaan, toelaten dat hij vertrekt; (ook) hem wegzenden; (ook) hem laten handelen, zooals hij verkiest; — zijns weegs gaan, weggaan; — uit elkander gaan, zich van elkander verwijderen (ook (fig.); — ga uit mijne oogen, verwijder u, liefst zoo vlug mogelijk; — uit den weg gaan, ter zijde wijken, plaats maken; — (plat) uit de broek gaan, zijn gevoeg doen; (ook) gemeenschap met eene vrouw hebben; — uit reizen, uit visschen, uit werken, xiit schoonmaken gaan, eigenlijk uitgaan om te visschen enz. — uit het leven scheiden, sterven; toen de cholera heerschte, zijn er vrij wat mee gegaan; — de beweging voorgesteld als aflegging van ruimte: door de wereld gaan, zus of zoo door de wereld; komen, op deze of gene wijze het leven doorbrengen; — door den wind gaan, (schipp.) over stag gaan; (fig.) aan den zwier zijn; — recht door zee gaan, recht op zijn doel afgaan, zonder zijwegen of slinksche middelen; — over een zieke gaan, hem onder geneeskundige behandeling hebben; — over zaken (zoowel voorwerpen als dieren) gaan, de zorg er voor hebben, onder zijn zorg en behandeling hebben: de stalknecht gaat over de paarden; de huisvrouw ging zelf over het linnengoed; — zijn weg gaan, op den ingeslagen weg voortgaan; — den koninklijken weg, slinksche wegen, (bijb.) den weg van alle vleesch gaan enz., zie WEG; — het verkeerde pad gaan; zijn gang gaan, zijn gooi gaan; zij hebben vandaar zes uren gegaan; zijn goddelijken driehoek gaan, zie PAD, GANG, GOOI, DRIEHOEK; — de beweging voorgesteld als richting naar een punt; deze trein gaat naar Haarlem; naar school gaan; — ergens gaan noch komen, er zich nooit bevinden; — waar ik kom of ga, waar ik mij ook bevind; — ga en zeg haar dat zij het doet; — gaan gevolgd door een voorzetsel: aan wal gaan, het schip verlaten; (ook van een schipper of diens familie) niet langer varen; — aan tafel gaan, om te eten; — aan den kant gaan; — aan de muziek, aan het Engelsch gaan, dit beginnen te leeren; — aan het werk gaan, daarmede aanvangen; — bij zijn dood gaan deze goederen aan zijne vrouws familie, komen in haar bezit; — (w. g.) dat gaat hem aan de zinnen, aan het verstand, verbijstert zijn verstand; — dat gaat hem aan het hart, aan de ziel, deert hem, doet hem leed; — (w. g.) aan iemands eer gaan, ze te na komen; — als de nood aan den man gaat, als de nood het eischt; — bij iemand gaan% in zijne nabijheid; (ook) naar; zijne woning om hem te spreken of te bezoeken; (ook) bij hem gaan inwonen; — gaan in, gevoerd of gebracht worden binnen de grenzen eener ruimte: hij ging in de kamer; de kogel ging hem in het been; in de diepte, de hoogte, de rondte gaan; — (bijb.) in Gods wet gaan, naar Gods wet handelen; — in een klooster gaan, zich van de wereld afzonderen en monnik of non worden; — in het veld gaan, gaan jagen; —in de wereld gaan, in gezelschappen komen; — in zich zelven, n zijn boezem gaan, een blik in zich zelf slaan, tot inkeer komen; — in ballingschap gaan; — in het gericht gaan met iemand, hem voor den rechterstoel: dagen; — (Zuidn.) in tweegevecht gaan met iemand, met hem een tweegevecht aangaan; — in zijn tiende jaar gaan, tien jaar worden; — er gaat ook suiker en zout in de salade, er moet suiker en zout bijgevoegd worden; — naar zijn graf gaan, den dood te gemoet gaan; — naar zijne vaderen, voorouders (ad patres) gaan, sterven; — naar zee gaan, een zeereisje maken; (ook) in zeedienst treden; — naar den grond, naar de haaien, naar den kelder, naar de maan gaan, in de diepte wegzinken, verdrinken of verloren gaan; — om tabak, om den dokter gaan; — om eene vrouw gaan, hare hand vragen; — om eene boodschap gaan, zich ergens heen begeven om eene boodschap te doen; — om zeep gaan, sterven, — onder zeil gaan, zeilende afvaren (van schepen of schepelingen); (ook) insluimeren; — onder een ander gaan, dienstbaar worden; — onder dienst, onder de huzaren gaan, dienst nemen bij het leger, bij de huzaren; — voor den kantonrechter gaan verschijnen; — op zijde gaan, zijdelings uitwijken, (ook) aan ééne zijde gaan overhellen; — op de flesch gaan, zijn vermogen kwijtraken bankroet gaan; — op school gaan, om er te leeren; — op het tooneel gaan, tooneelspeler worden; — op zee gaan, in zeedienst treden; — op weg gaan. vertrekken; — op visite gaan, bezoeken afleggen; — op reis gaan, de reis aanvaarden; — op de vlucht gaan beginnen te vluchten; — te bed, ter kerk, ter markt, te gast, ten grave gaan; — te gronde gaan, in de diepte wegzinken; (ook) geruïneerd worden; — te roer gaan, zich aan het roer stellen; — te water gaan, zich te water begeven (om te varen, te strijden of te zwemmen); — iem. te lijf gaan, hem aanvallen; — bij iem. ten eten gaan; — ten dans gaan, (fig ) ten strijde trekken — inz. met iem. te rade gaan, hem raadplegen; — ter rust gaan, gaan slapen; (ook) de eeuwige rust ingaan, sterven; — te kooi gaan, naar bed gaan; — iem., iets te keer gaan, zie KEER; — dat gaat mij ter harte, wekt mijne belangstelling, (ook) mijne deernis; — tot iem. gaan; — tot God gaan, zich in gebede tot God richten — tot zijne vaderen gaan, sterven; — in verbinding met eene onbepaalde wijs dient gaan om uit te drukken dat men zich ergens heen begeeft om eene handeling te verrichten: eene boodschap gaan doen; gaan rijden, roeien, fietsen; òf dat men zich in beweging stelt om iets te doen: gaan zitten, slapen; òf dat men zich gereed maakt tot: een brief gaan schrijven; òf dat men begint: gaan spelen, rentenieren; — zulen: ik ga het u eens uitleggen; (Zuidned.) ik voelde, dat ik vallen ging; — in beweging zijn: de pomp gaat niet, geeft geen water; — mijn horloge gaat niet, het raderwerk doet geen dienst; — het gaande werk (van een uurwerk), het werk dat de klok of pendule doet loopen of slaan; evenzoo de raderen, assen en spillen van een molen; — de klok gaat voor, achter, wijst later, vroeger aan dan de tijd werkelijk is; — de bel gaat, er wordt gescheld; — de viool gaat in alle herbergen, wordt er bespeeld; — er ging eene hooge zee, het water golfde sterk; — heen en weer bewegen, rollen wat gingen zijne oogen, toen hij al die kostbaarheden voor zich zag; — (Zuidn.) het deeg begint te gaan, te rijzen; — de tijd gaat als een snelle stroom, verloopt, verstrijkt; — er gaan hier allerlei geruchten, verspreiden zich, worden verteld; — verzonden worden: met Sinterklaas gaat er altijd veel goed, vooral per spoor; — hiernevens gaat, gewone term in een begeleidend schrijven; — het scheepje ging voor wind en stroom, zeer voorspoedig; — gaan vóór iets,, in rangorde voorgaan, (ook) de voorkeur verdienen: het zien gaat voor het zeggen; plicht gaat voor alles, — (van verschillende voorwerpen, die aan, op of om iets bevestigd of in iets besloten zijn) er van of er uit verwijderd worden, er van of er uit geraken: het touw ging uit zijne handen; die stop gaat niet van de flesch; — af geschoten worden van, uit iets: de pijl gaat van den boog; daar ging de kogel uit den loop; hoor daar gaat een schot; — het schuren gaat u slecht van de hand, daarin hebt ge nog geene handigheid; — uit het lid gaan, ontwricht worden (van ledematen gezegd); — het ging er van leer, er werd met messen gevochten; — dat gaat goed van stapel, eigenlijk van schepen; (fig. van een werk); — (fig. van plannen, ondernemingen) tot uitvoering komen; verdwijnen, wegraken, weggaan: zijn goede naam is er door gegaan; de winter ging, de zomer kwam; — (van woorden, klanken, kreten enz.) geuit worden, aan lippen of mond ontsnappen; — (van denkbeelden, gedachten, begrippen) vergeten worden: is u dit reeds uit het geheugen gegaan; — zijn oog over iets laten gaan, nauwlettend er naar zien; (ook) er toezicht op houden; — zich in zekere richting uitstrekken: deze zenuw gaat langs de ruggegraat; een weg die door het bosch gaat; — een rilling, huivering, schok, schrik ging er door zijne leden, gevoelde hij; — die tijding ging mij pijnlijk door het hart, door de ziel, deed mij smartelijk aan; — een denkbeeld ging haar door het hoofd, door den geest, kreeg zij plotseling; — alles is mij door het hoofd gegaan, ik heb aan alles gedacht, (ook) ik ben alles vergeten; — zijne gedachten over iets laten gaan, zich in den geest er mede bezig houden, niet ernstig en gezet er over denken; — (van een dronk) dat gaat ter eere, op de gezondheid van iem. of iets; daar ga je!; — in één teug ging het naar binnen, werd het glas leeggedronken; — die verzen gaan mij te hoog, begrijp ik niet; — zijne voorstellingen gaan laag bij den grond, verheffen zich niet boven het alledaagsche; — dat schip gaat diep, ondiep, strekt zich beneden den waterspiegel veel of weinig uit; —dat gaat mijne eer te na, dat kan ik niet over mijn kant laten gaan; — van hand tot hand gaan, rondgegeven worden; — het praatje ging van mond tot mond, werd overal rondverteld; — buiten de gis gaan, tegen de verwachting uitvallen; — dat gaat boven mijn vermogen, dat kan ik niet doen, niet betalen; — over één kant gaan, op zijde gaan, overhellen; — het huis gaat tegen den grond, wordt afgebroken, — om kort te gaan, in korte woorden (gezegd); — zeker gaan, zeker te werk gaan; — gerust gaan op iets, daaromtrent in gerustheid verkeeren; — ledig gaan, zonder bezigheden zijn; — vast gaan, zeker van zijne zaak zijn; — zwanger (in de volkstaal ook groot, zwaar) gaan, in gezegende omstandigheden verkeeren; — van plannen, voornemens zwanger gaan, deze bij zich omdragen om ze tot uitvoering te brengen: — plaats hebben, geschieden: dat gaat van zelf, gemakkelijk; het werk gaat slecht; — in zijn werk gaan, toegaan, zich toedragen op de wijze als in de bepaling genoemd is: het gaat raar in zijn werk; — mogelijk zijn: of dat zal gaan, weet ik niet; het kan zoo gauw niet gaan; — geoorloofd zijn, betamelijk zijn, er door kunnen: eerst ons nieuwsgierig maken, en dan niets vertellen..., dat gaat niet; — redelijk, tamelijk, draaglijk zijn: lijdt hij veel pijn? dat gaat, dat gaat, zoo nogal een beetje; — gewoonlijk plaats hebben, in den regel het geval zijn: dat gaat meestal zoo; — zeker beloop hebben, gesteld zijn (van stoffelijke en onstoffelijke zaken met betrekking tot den toestand, waarin zij verkeeren): zijne zaken gaan goed, binnen weinige jaren zal hij schatrijk zijn; alles gaat naar wensch; — in zekeren toestand komen of geraken: pas op, dat ding zal nog aan flarden gaan; aan stukken gaan; driemaal daags gaat de bak vol turf; — te niet gaan, (Zuidn.) ten onderen gaan, te gronde gericht worden, vernietigd worden; — verloren gaan, (eigenl.) zoekraken, niet vernomen worden, (fig.) uit het oog verloren worden, te gronde gaan; — in de war gaan, (gewoonlijk raken), in een verwarden toestand geraken; — gewis (wis) gaan, zeker zijn, aan geen twijfel onderhevig zijn; — dat gaat vast, is aan geen twijfel onderhevig; — (bij weddenschappen, overeenkomsten, het sluiten van een koop) dat gaat, dat geldt, is aangenomen; — gaan voor iets, voor iets doorgaan, als zoodanig beschouwd worden: hun goedhartigheid ging voor smaak en kennis; — op iemands naam gaan, voor het werk van iemand doorgaan, zoodanig beschouwd worden; — alles gaat op naam van zijn broer, op rekening van; — (rek.) gaan op iets, begrepen zijn op iets: zes gaat driemaal op achttien; er gaan zoo ongeveer honderd turven op eene ton; — (scherts.) tegen iemand opwegen: wat slimheid betreft, gaan twee Chineezen op een Yankee; — gaan in iets, begrepen zijn in iets, er in kunnen geborgen worden en daarbij het voorwerp vol of de maat voltallig maken; — als onpers. werkw. (van eene beweging) geschieden als in de bepaling is uitgedrukt: het ging bliksemsnel; ineens ging het in vollen draf de wind kwam in de zeilen en stroomafwaarts ging het; het was een vermoeiende tocht, want het ging aardig naar de hoogte; — het gaat (iemand) voor wind en stroom, het gaat {iemand) voor den wind, het gaat gezegend, onder begunstiging van alle omstandigheden; — het gaat hem naar den vleeze, voorspoedig; — (fig.) het gaat over de hooge schoenen het gaat alle maat te buiten, het loopt de spuigaten uit: — het gaat er overheen, het overschrijdt alle perken; — het gaat, ik neem het aan, het is aangenomen; — beginnen: het gaat regenen, het gaat waaien; — geeft men hem niets, dan gaat het op een schelden, begint hij te schelden; — zus of zoo gaat het, zoodanig klinkt het, zoodanig geluid heeft het als in de bepaling is uitgedrukt: bons ging het en daar lag het kind; — het gaat zus of zoo, het geschiedt zus of zoo, heeft aldus plaats gaat aldus toe: zoo is het gegaan; —’’t gaat weer lustig, babbelend, lachend: ’t is of bijenzwermen gonzen; — het moge er gaan hoe het wil; — hoe het (er) ga, het ga hoe het ga, wat er ook gebeure; — gelijk (zooals) het altijd (veelal, somtijds, gewoonlijk enz.) gaat, gelijk het altijd (veelal enz.) geschiedt; — het gaat iem. zus of zoo, zoo iets gebeurt of overkomt hem, heeft met hem plaats: het gaat hem als den vos met de druiven; zoo gaat het met menig jongmensch; — het gaat (met iemand of iets), het is mogeliik, het kan geschieden, (bij uitbr.) het lukt, het heeft kans om te slagen: het gaat goed met den nieuwen onderwijzer; — het gaat, het is geoorloofd, betamelijk, het kan er door; — het gaat. het is redelijk, tamelijk, draaglijk; — het gaat zoo, het pleegt zoo te geschieden, het is in den regel zoo het geval: het gaat raar in de wereld; — het gaat zus of zoo, het is aldus gesteld, het staat er zus of zoo mede het zal wel beter gaan; — het gaat breed, het is er flink mede gesteld; (in toepassing op iemands lichamelijken welstand): hoe gaat het? het gaat goed, redelijk. enz.; hoe gaat het u? — het ga je goed, ik wensch u voorspoed toe.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018