Laag betekenis & definitie

1. LAAG, bn. bw. (lager, laagst), tegenstelling van hoog, van geringe hoogte, niet ver opwaarts reikend, niet hoog boven iets uitstekend een laag huis; een lage toren; de heuvels zijn begroeid met laag struikgewas; — een laag vertrek, waarvan de zolder niet hoog boven den vloer is; — dit vertrek is laag van verdieping; een laag corset dragen; lage halsboorden; — eene lage japon, laag uitgesneden, die den hals en vaak het bovendeel der borst onbedekt laat; — lage schouders, afhangende; een laag voorhoofd; — eene lage weide, die niet hoog boven het omringende water uitsteekt; — lage venen, wier bodem beneden den gemiddelden waterspiegel ligt; — het water is laag, het peil is beneden het gewone gedaald; bij laag water, het laagste punt van de eb; — de lucht is laag, de wolken drijven minder hoog dan gewoonlijk; — (fig.) laag bij den grond blijven, niet hoog vliegen, zich niet hoog verheffen (b. v. van een dichter, een gedicht enz.); — laag zinken, in zedelijkheid achteruitgaan; — lage temperatuur, waarbij de thermometer laag ,staat; — de barometer is laag, wijst een geringen luchtdruk aan; — eene lage wind, de wind is aan den lagen kant, de wind is Zuid, Zuidoost of Zuidwest; — (zeet.) laag aanleggen, sturen, niet dicht bij den wind liggen, benedenwinds van den koers liggen; te laag liggen, den wind niet ruim genoeg hebben; — lager wordt dit uiteengezet, lager, meer naar den voet der bladzijde, of ook op eene der volgende bladzijden; — (muz.) een lage toon, welke betrekkelijk weinig geluidstrillingen maakt in ééne seconde; laag zingen, met lage tonen; die viool is te laag gestemd, — een toontje lager zingen, wat meer bescheiden spieken; eene stoommachine van lage drukking, waarbij de spankracht van den stoom de drukking der lucht slechts met de helft overtreft; — (van waarde enz.) gering, klein voor een lagen prijs verkoopen; eene lage som; iets laag taxeeren; — de laagste inschrijver, die voor de kleinste som heeft ingeschreven; — de markt is lager, de waren werden voor geringer prijzen verkocht; — het spek is vandaag een paar centen lager, goedkooper; — (van rang, stand enz.) gering, niet uitsteken le: hij is van lage afkomst, uit geringe, arme ouders geboren; — de lagere standen, de mindere man, het volk; — de lagere geestelijkheid, priesters van ondergeschikten rang; — de lagere rechtspraak, (hist.) die alleen geringe misdrijven en civiele zaken berecht; — het lager onderwijs, het elementair, eerstbeginnend onderwijs in die vakken, waarvan elk burger iets dient te weten; — de lagere school, waar lager onderwijs wordt gegeven; — eene lagere akte Duitsch, voor lager onderwijs; — de lagere dieren en planten, minder ontwikkeld, van eenvoudiger bouw; — gemeen, in strijd met de beginselen van eer of grootmoedigheid eene lage daad begaan; een laag karakter; eene lage ziel, slecht mensch; menschen van het laagste allooi; de lagere hartstochten in den mensch; lage winzucht; iem. laag behandelen; zich laag aanstellen; — vernederend, minachtend, met verachting; laag op iem. of iets neerzien; laag op iem. of iets vallen; laag over iem. of iets spreken; — een lagen dunk van iem. hebben.

2. LAAG, v. (lagen), rij voorwerpen, die naast of op elkander liggen en door hunne ligging biji elkaar behooren eene laag aarde, steenen, kalk; eene dikke laag verf; — (mets.) streksche laag, patijtsche laag of koplaag, zie die woorden; — (papierm.) de over elkaar heen gehangen vellen papier bij het drogen; hangende laag, berglaag, die een ertsbank van boven begrenst, dak; liggende laag, de daaronder gelegene; — (gew.) eene, laag koren, een aantal schooven die men in eens op den dorschvloer uitlegt om te dorschen; — (scherts.) een laagje leggen, in toepassing op eten en drinken; hij heeft al een aardig laagje gelegd, hij heeft al heel wat gegeten; — (gew.) eene laag ophebben, dronken zijn; — in de verschillende, de onderste lagen der maatschappij, de kringen, standen. LAAGJE, o. (-s).
3. LAAG, v. (lagen), (scheepst.) rij stukken op ieder verdek van een oorlogsschip een schip van twee lagen; de volle laag geven, al de stukken van een oorlogsschip tegelijk op een ander lossen, (fig.) iem. met scheldwoorden overladen, hem geducht de waarheid zeggen.
4. LAAG, v. (lagen), bedekte plaats om iem. onverwachts te overvallen, valstrik; (spr.) iem. lagen leggen, verraderlijk tegen iem. handelen, iem. door kwade praktijken zoeken te benadeelen; (recht.) moord met. geleider lage, met arglistigen overval, nadat men zich vooraf in hinderlaag had gelegd.
5. LAAG, v. (lagen), ligplaats; plaats van waar aarde enz. wordt gehaald ten behoeve van dijken, wegen enz.: te naaster lage, op de naastbijzijnde geschikte plaats. LAAGJE, o. (-s), (gew.) plank van ongeveer 2 M. lengte, dM. breedte en à. 2 cM. dikte, waarop het ongebakken brood in de bakkerij wordt gelegd en in den oven geschoven.
6. LAAG, v. (lagen), elk der door het tandvleesch bedekte gedeelten van de onderkaak der paarden tusschen de kaaktanden en de kiezen, waar het gebit plaats vindt.

Laatst bijgewerkt 19-09-2018