Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Deel

betekenis & definitie

Het begrip deel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. deel - DEEL, o. (-en), wat kleiner is dan een geheel: een geheel is altijd grooter dan een zijner deelen;
— een werk in vijf deelen, boekdeelen;
— hij moet zijn deel van de winst hebben, ’t gedeelte der winst, dat hem toekomt, zijn aandeel;
— deel aan iets nemen, er belangstelling voor gevoelen;
— deel aan iets hebben, erbij betrokken zijn;
— hij heeft er part noch deel aan, is er niet bij betrokken, is er volkomen onschuldig aan; deel nemen in iets, zie DEELNEMEN;
— ten deel vallen, als aandeel geschonken worden, te beurt vallen; (fig ) groote geestesgaven waren hem ten deel gevallen, door de natuur toegedeeld of geschonken;
— ten deele, niet het geheel, maar slechts een deel daarvan betreffend wat gij zegt is ten deele waar, gedeeltelijk;
— een groot deel van zijn vermogen heeft hij verloren, zeer veel ervan;
— voor een groot deel heb ik dat aan hem te danken, in de eerste plaats;
— voor mijn deel, voor mijn part, wat mij betreft;
elk zijn deel, aan ieder wat hem toekomt. Deeltje, o. (-s), klein gedeelte; kleinst denkbare hoeveelheid; (ook) klein boekdeel.

2. deel - DEEL, v. (delen), plank (van gezaagd hout) schaal-, sneedelen;
— planken vloer; -
— dorschvloer.