Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

VALLEN

betekenis & definitie

VALLEN - (viel, is gevallen), ingevolge de zwaartekracht van eene hoogte naar beneden komen; in het luchtledige vallen alle voorwerpen even snel; de appel valt van den boom, (spr.) de appel valt niet ver van den boom, zie APPEL; de bladeren vallen; er valt regen, sneeuw, hagel; het hert laat zijn gewei vallen;

— uit eene staande of zittende houding in eene liggende komen, struikelen : hij viel op den grond, over een steen, uit het raam, van een stoel; het scheelde weinig of hij viel; hij viel languit op den grond; (spr.) met vallen en opstaan komt men door de wereld, als men maar volhoudt, bereikt men eens zijn doel; (zeew.) iem. van de ra laten vallen, in zee, eene vroegere scheepsstraf;
— de zeilen laten vallen, laten zakken, strijken; een gordijn laten vallen, een optrek-, rolgordijn neerlaten;
— (toon.) het gordijn valt, zakt, wordt neergelaten om het tooneel van de zaal te scheiden;
— die lijn valt loodrecht op de andere, ontmoet haar rechthoekig;
— een woord laten vallen, ongemerkt iets ergens van zeggen;
— (spr.) er vielen woorden, onaangenaamheden, onaangename woorden werden gewisseld;
— dalen, lager worden: het water valt, is een Meter gevallen;
— die haven, bank valt droog, bij eb zijn zij droog;
— de prijzen vallen, dalen, worden minder;
— iets van den prijs laten vallen, een lageren prijs vorderen;
— den moed laten vallen, laten zakken; de avond valt, het wordt schemerdonker;
— de wind valt, gaat liggen, wordt minder;
— sneuvelen, omkomen, bezwijken : hij is in den strijd, op Atjeh, bij Waterloo gevallen; zijn vader kwam te vallen, te sterven;
— door ’t moordend staal vallen, vermoord worden;
— de vesting is gevallen, heeft zich overgegeven;
— het ministerie is gevallen, genoodzaakt geworden, zijn ontslag aan te bieden;
— niet slagen: zijn nieuwe tooneelstuk is gevallen, had geen succes;
— bankroet gaan : deze koopman is gevallen; vele groote handelshuizen zijn gevallen;
— (spr.) die staat, zie toe dat hij niet valle, men vertrouwe niet te veel op zijn geluk;
—zondigen, in zonde vallen; het pad der deugd verlaten: toen Adam viel, kwam de zonde in de wereld; een gevallen meisje; zij viel voor de verleiding;
— zijn, worden, plaats hebben: de arbeid valt hem zwaar, moeilijk, licht; het spreken valt hem nog zwaar, het valt mij pijnlijk, dit te moeten vragen;
— iem. lastig vallen, hem storen, ongelegen komen;
— hij valt mij telkens lastig om geld, vraagt mij dat telkens;
— er viel een schot, men hoorde een schot; er vielen klappen, men werd handgemeen;
— de tijd valt mij te lang, ik verveel mij;
— er valt weinig van te zeggen; zij valt wat verlegen;
— de appelen vallen dit jaar wat groot; mijn verjaardag valt op een Donderdag;
— al naar het valt, al naar het uitkomt; dat valt goed, verkeerd, komt goed, verkeerd uit;
— zitten, staan : de japon valt netjes,
— in vereeniging met voorzetsels wordt de bet. vaak min of meer gewijzigd en ontstaan er eigenaardige spr. : de kan viel aan stukken, brak in stukken door den val; aan den arbeid vallen, daarmede opgewekt, met gejaagdheid beginnen; het huis viel aan den oudsten zoon, bij erfenis ten deel vallen;
—dat valt binnen zijn bereik, dat kan hij doen, volbrengen;
— het schip viel binnen, kwam in de haven, op de reede;
— dat valt buiten zijne bevoegdheid, daartoe is hij niet bevoegd;
— door de mand vallen, bekennen wat men eerst verzwegen had;
— iem. in de armen vallen, door hem of haar omarmd worden; dat valt mij in handen, komt onverwacht in mijn bezit; dat valt mij in de hand, valt mij mee; hij is in goede, in slechte handen gevallen, in de macht van goede, slechte menschen; den vijand in handen vallen, in zijne macht geraken; den vijand in den rug vallen, hem van achteren aanvallen; in eene hinderlaag vallen, daar inloopen; dat valt in ’t oog, dat ziet men dadelijk; in den smaak vallen, geacht worden; in onmacht, in zwijm vallen, het bewustzijn verliezen; in ongenade vallen, de gunst kwijtraken; in ziekten vallen, vaak ziek worden; in slaap vallen, inslapen; in ’t zwaarmoedige vallen, zwaarmoedig worden; in zijn ongeluk, in zijn verderf vallen, geraken; de patrijzen vallen in ’t korenveld, strijken daar neer; de Main valt in den Rijn, vloeit daarin uit; in de asch, in duigen vallen, niet gebeuren, niet ten uitvoer gebracht worden (van plannen, voornemens);
— iem. in de rede vallen, niet laten uitspreken; in de loting vallen, voor de militie moeten dienen; de vacantie valt in Augustus, is in Augustus;
— met de deur in huis vallen, zonder voorbereiding over iets beginnen te spreken; iem. om den hals vallen, omhelzen;
— onder dieven en moordenaars vallen, belanden, terechtkomen; zijn hoofd viel onder de bijl, hij werd onthoofd;
— voor iem. op de knieën vallen, hem knielend wat verzoeken, om genade smeeken; zij is niet op haar mondje gevallen, weet dat duchtig te roeren; zijn oog op iets laten vallen. daarop letten, het gadeslaan; zijn oog op een meisje laten vallen, haar beminnen; verdenking, schande, schuld valt op iem.; het lot, de keuze viel op mij, wees mij aan, men koos mij; het gesprek viel op hem, men kwam over hem te spreken; op iem. vallen, hem telkens berispen; op het lot is een prijs gevallen, dit lot, nummer is met een prijs uitgetrokken;
— over iets, over een woord vallen, zich daarover ergeren;
— iem. te voet vallen, voor hem knielen; te beurt, ten deel vallen, iemands deel worden;
— al kwam ik over hem te vallen, ik zou hem niet herkennen, ik kan hem mij in ’t geheel niet meer herinneren;
— dat valt uit de hand, dat valt tegen;
— hij valt mij uit de hand, ik had een beteren, hoogeren dunk van hem;
— uw broer valt van de graat, hij wordt mager; daar valt mij een steen van ’t hart, zie steen;
— door vallen veroorzaken : hij viel een gat in zijn hoofd.