Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

STEEN

betekenis & definitie

STEEN - m. (-en), (v. gmv. als verzam. stofn.

—, o. gmv. als zuivere of reine (abstracte) stofn.) harde delfstof, niet smeedbaar, niet brandbaar en ook niet in water oplosbaar, veel tot bouwstof en tot bestrating gebezigd; ook de uit klei gedroogde en daarna gebakken steenen: dat is steen; zoo hard als steen; kalksteen, zandsteen;
—hij bleef liggen als een steen, hij verroerde zich niet meer ; met steenen gooien, werpen, smijten;
— (spr.) wie uwer zonder zonde is. werpe den eersten steen;
— steenen rapen, twist zoeken;
— iem. een steen in den weg leggen, hem hindernissen bezorgen;
— een steen des aanstoots, wat hindernis of ergernis geeft; zij is voor ons allen een steen des aanstoots. wij allen ergeren ons aan haar gedrag;
— hij heeft een hart van steen, kent geen medelijden, is gevoelloos ;
— hij is zoo hard als een steen, hij heeft geen gevoel, (ook) hij heeft geen geld;
— daar is mij een steen van ‘t hart gevallen, ik gevoel mij van een bezwaar, van angst verlicht;
— steenen houwen tot bestrating; op de groote steenen rijden, de kleine steenen zijn voor de voetgangers; op de steenen slapen, op de staatsteenen ;
— bouwsteen : een huis van steenen bouwen;
— (oudt.) een huis van steen gebouwd, inz. een kasteel;
— (Zuidn.) eene gevangenis;
— den eersten steen leggen, voor een gebouw, (ook) een groot werk aanvangen ;
— het huis werd geheel vernield : geen steen werd op den anderen gelaten; al stond de onderste steen boven, al zou er ook alles mede gemoeid zijn ;
— het vriest een steen dik, het vriest zeer hard;
— hij klaagt steen en been, Hij klaagt geweldig ;
— lithographische steen : op steen teekenen, drukken;
— uit steen bewerkt of steen op eigenaardige wijze behouwen : gootsteen,
— molensteen : de onderste steen ligt vast, de bovenste rolt;
— grafsteen : wie ligt er onder dezen steen ?,
— tichelsteen: steenen op den vloer van de keuken ;
— marmeren steenen in de gang;
— edelsteen: een ring met een steen; echte, valsche, gesneden steenen;
— de oorspronkelijk uit steen, later ook uit hout en been bewerkte stukken voor verschillende gezelschapsspelen : dobbelsteen, dominosteen; damsteen ; steenen aanzetten; met valsche steenen spelen; een steen schuiven, slaan;
— zeker gewicht, oorspronkelijk met een steen van een bepaald gewicht afgewogen: een steen wol, 3 KG. (te Goes); een steen meel, 3 KG. (te Aardenburg); een steen afgewerkt vlas, 2.85 KG. (in ’t oosten van Brabant 4 KG. en in ’t westen 3,2 KG.); een steen kaarsen, 3 KG. enz. ;
— steenachtige massa in een dierlijk lichaam: steenen in de nieren, in de lever;
— hij lijdt aan den steen, hij heeft het graveel;
— iem. van den steen snijden, zekere ziekelijke verharding in de blaas wegnemen; (ook fig.) iem. beetnemen, bedriegen;
— bezoarsteen, zie aldaar;
— de steenachtige vruchtkern der steenvruchten ; (spr.) 't is kwaad kersen eten met de grooten, ze gooien met de steenen, zie KERS ;
iets wat steenhard is : hagelsteenen ;
— helsche steen, lapus lazuli;
den steen der wijzen zoeken, goud willen maken (zooals de alchimisten), (ook) hersenschimmen najagen ;
— het huishouden van Jan Steen, eene grap, fopperij. STEENTJE, o. (-s), kleine steen; de steentjes tellen, zeer langzaam langs de straat loopen en daarbij voor zich uit op den grond zien;
— (inz.) diamantje.