Gepubliceerd op 27-09-2018

Moeten

betekenis & definitie

1. Moeten (moette, heeft gemoet), (veroud.) zachtkens voortduwen (eene schuit), zachtkens verschuiven (een roer).

2. Moeten (moest, heeft gemoeten), gedwongen of genoodzaakt (tot iets) zijn, niet anders kunnen doen: ik doe het niet graag, maar ik moet het zeggen;
— (ook) ter aanduiding van iets dat noodwendig moet gebeuren om iets anders te doen plaats hebben: ik doe het niet, of men moet er mij toe dwingen, tenzij ik er toe gedwongen worde; ik geloof het niet, of ik moet het hem zelf hooren zeggen; dat kan niet, of het moest wezen dat...; als ik op tijd thuis wil zijn, moet ik nu heengaan; men moet eten om te leven; hij moet hard werken, om aan den kost te komen;
— verplicht zijn, behooren: gij moet God meer gehoorzamen dan den menschen; de jongelui moeten zich wat kalm houden;
— hij moet alles weten, het is noodig, het is van belang, van gewicht dat hij alles wete:
— moet ik u dan alles zeggen?, ben ik verplicht u alles te zeggen (gewoonlijk met het bijdenkbeeld van ongeduld, misnoegen);
— met eene ontkenning bijna gelijk mogen: gij moet niet zoo nieuwsgierig zijn; gij moet naar zulke dingen niet vragen;
— niet anders kunnen zijn: als gij daarin valt, moet gij verdrinken; waar afgaat en niet bijkomt, dat moet verminderen; alle menschen moeten sterven;
— met weglating van de onbepaalde wijs: ik moet weg, naar huis, weggaan, naar huis gaan; ik doe het niet graag, maar het moet (gedaan worden); deze boeken moeten weg (gedaan, gezonden worden);
— als hulpwerkwoord van wijze, ter aanduiding van wat volgens sprekers meening of berekening niet anders kan zijn: hij moet nu al terug zijn; het moet reeds negen uur zijn; hij moet zichzelven om het leven gebracht hebben; dat werk moet veel inspanning gekost hebben, zooals het zich laat aanzien, naar den inhoud te oordeelen;
— ter aanduiding van wat op gezag van anderen, volgens de heerschende meening zoo zal zijn: hij moet nu weer in het land zijn, men zegt algemeen dat hij weer in het land is; zijne zaken moeten op het oogenblik maar slecht gaan; zij moet heel mooi geweest zijn.

< >