Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Toe

betekenis & definitie

Toe - bw. in de richting naar: hij kwam naar mij toe; de meid is ergens naar toe, ergens heen;

— tot aan eene grens (van ruimte of van tijd): tot de brug toe is de weg goed; lees, schrijf, reken tot hier toe; tot hier toe en niet verder;
— tol nu toe, tot op dezen oogenblik;
— tot het einde toe, geheel tot het einde;
— ergens aan toe zijn, er mede beginnen;
— er naar, ongelukkig, slecht aan toe zijn, het naar, ongelukkig, slecht hebben;
— ik kan er niet toe komen, er niet aan beginnen, er niet toe overgaan;
— dat is tot daaraan toe, dat mag waar zijn;
— dat doet er niet toe, dat geeft, helpt niets;
— ’t geval ligt er toe. is nu eenmaal zoo;
— op den koop toe, bij hetgeen gekocht | is, nog toegevoegd, (ook fig.) bovendien;
— het geeft eene versnelling, versterking, voortzetting eener beweging of handeling te kennen in : hij liep, schreef, babbelde maar toe;
— ik loop, sla toe, ik loop, sla door, ik wijk niet terzijde (in deze bet. wordt het door sommigen ten onrechte als samenstelling beschouwd);
— aansporing, aanmoediging, of versterking van een verzoek drukt toe uit in : toe, werk op; toe, ruk op; toe, toe ! pak aan !; toe, jongens ! slaat er op; toe wat, maak voort; toe, geef het mij nu; toe, ga nu mee; toe maar !, uitroep van verwondering;
— (elliptisch) het huis, de deur is toe (gesloten); het boek is toe (gedaan); (wanneer toe in deze beteekenis vóór het substantief staat, wordt het gewoonlijk als eene samenstelling geschreven; in de spreektaal hoort men echter vaak : een toeë deur; met toeë beurs betalen; in een toeën wagen zitten).
Toe vormt met een zeer groot aantal ww. scheidbare samenstellingen in de bet. van ; 1. in de richting naar iem. (toeroepen); 2 . tot, aan, bij (toezenden, toevoegen, toedragen); en 3. dicht (toesmijten, toeslaan). Alleen de meest gebruikelijke zijn hier opgenomen.