Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Pad

betekenis & definitie

Het begrip pad heeft 2 verschillende betekenissen:

1. pad - pad - o. (-en), smalle weg, vooral voor voetgangers : een pad in een tuin; een binnenpad, jaagpad, toepad. wandelpad;
— (bij uitbr.) weg: hij is altijd op pad, hij is nooit thuis, slentert, gaat overal heen;
— vroeg, laat op pad zijn, vroeg, laat op weg zijn;
— (Z. A.) het harde pad, de heerweg;
— (fig.) het levenspad; het pad der deugd; vlied de paden der boozen;
— het begane pad volgen, denzelfden weg volgen, dien anderen gegaan zijn;
— iem. op het goede, rechte pad brengen, (ook fig.) hem van de dwalingen zijns weegs terugbrengen; hij helpt hem van het pad af, hij geeft hem verkeerden raad, brengt hem in ’t verderf;
— (Zuidn.) zijn pad schoonmaken, zich verontschuldigen;
— tusschen waarheid en leugen ligt een glibberig pad, men vertelt zoo licht iets bezijden de waarheid. PAADJE, o. (-s).

2. pad - pad - v. (-den), PADDE, v. (-n), (nat. hist.) een kikvorschachtig dier (bufo), met korte achterpooten, tandeloozen mond en een met wratten overdekt dik lichaam; in ons land komen voor : de gewone pad (B. vulgaris) ook muurpad en zwarte pad geheeten; de groene pad (bufo viridis) en de kleine of stinkende pad (bufo calamita);
— de Surinaamsche pad (pipa americana) heeft geene tong;
— vliegende padde, een der namen van onze gewone nachtzwaluw;
— (spr.) hij is van geld voorzien als eene pad van veeren, hij bezit totaal niets;
— ik ben zoo dik als eene pad, ik heb zooveel gedronken of gegeten, dat het mij benauwt;
— hij zwelt op als eene pad, wordt rood van toorn;
— (Zuidn.) gij zoudt er padden mee vergeven, gezegd van spijs of drank die slecht en walgelijk is;
— (Zuidn.) slordige en vadsige vrouw : (spr.) jaag eenen puit weg, ge krijgt eene padde in de plaats, op eene slechte meid volgt dikwijls eene slechtere. PADJE, o. (-s).