Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WORDEN

betekenis & definitie

WORDEN, (werd, is geworden), beginnen te zijn, ontstaan; (bijb) God zeide: daar zij licht en daar werd licht; het wordt vrede;

komen in zekeren toestand : hij wordt arm, rijk, dik, groot, ziek; wat is er van hem geworden ?, welk lot heeft hem getroffen ?; kinderen worden menschen;
— het wordt laat, koud, warm,
— zij worden het eens, komen tot dezelfde meening, hetzelfde gevoelen;
— het beroep, ambt kiezen van: hij wordt timmerman, smid, dokter, officier; hij wordt minister, men heeft hem tot minister benoemd;
— hulpwerkw. van den lijdenden vorm : hij wordt geprezen, gestraft; het wordt gebakken; er wordt gedanst, gezongen, dansen, zingen heeft daar plaats;
— het wordt morgen eene week, morgen is het eene week geleden. WORDING, v. het worden; geboorte, ontstaan : in staat van wording verkeeren; eene stad in wording.