Wat is de betekenis van Vallen?

2023-10-02
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2023)

vallen

(1960) (ton.) (gezegd van een vertoning) geen succes hebben. • En hoewel ze dat niet met zoveel woorden zei, ziet ze een.beetje op tegen de uitzending en de reden is erg voor de hand liggend; in „Het Water” had ze een belangrijke rol, haar eerste nog wel, maar het stuk „viel” zoals de toneeluitdrukking luidt, het haalde...

2023-10-02
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vallen

vallen - Werkwoord 1. ergatief vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen De roekeloze beklimmer van het gebouw viel gelukkig niet. 2. vrijelijk neerhangen Zijn lange haren vielen in krullen over zijn schouders. 3. ergat...

Direct toegang tot alle 20 resultaten over Vallen?

Word nu vriend van Ensie
2023-10-02
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

vallen

vallen - onregelmatig werkwoord uitspraak: val-len 1. op de grond terechtkomen ♢ ik viel een gat in mijn knie 2. er boos om worden ♢ hij viel erover dat het eten niet klaar was ...

2023-10-02
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

vallen

1. Van een kaart: bijgespeeld worden. Bijvoorbeeld in: ‘onder het aas viel de heer’. 2. Van een kleur: rond zitten. Bijvoorbeeld in: ‘de troeven vielen niet’.

2023-10-02
Jargon & Slang van Wielrenners

Marc De Coster (2017)

Vallen

Vallen - 'zich laten vallen': zeer goed kunnen dalen.

2023-10-02
Woordenboek Van Eufemismen

Marc de Coster (2004)

vallen

(als soldaat) sterven in de strijd; sneuvelen (een woord dat wellicht ook een carrière als eufemisme achter de rug heeft want in een ver verleden betekende het struikelen, vallen). Vallen kan hier gezien worden als een eufemistische verkorting van ‘doodvallen’. De term valt een beetje tussen twee uitersten: die van verheerlijking (van de strijd, de...

2023-10-02
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

vallen

(viel, is gevallen) - werkeloos vallen, werkeloos worden.- ziek vallen, ziek worden. Maar als er mensen ziek vallen, wordt het moeilijker. - GvA, 22-08-2002. - goed vallen, gelegen komen. - in ruzie vallen, ruzie maken. - zonderbrood/benzine/geld/werk enz. vallen, geen brood/benzine/geld/werk enz. meer hebben. -...

2023-10-02
Lexicon voor de kunstvakken

Wouter van Boesschoten, Wieneke van Breukelen, Ton Konings m.m.v Henriette Coppens, Eefje Lonis, Jos van Waterschoot & Simon Wienke (2002)

vallen

Vallen is een actie (1) waarbij het lichaamszwaartepunt snel in de richting van de grond beweegt (zie beweging (4)).

2023-10-02
Verpleegkundig woordenboek

Anneke van Schie (2000)

Vallen

Een onbedoelde verandering van de lichaamspositie, die resulteert in het neerkomen op de grond of een ander lager niveau.

2023-10-02
Woordenboek Populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Vallen

zie ook de ballen (hou ze vasten laat ze niet vallen): 1. laat hem niet-, schertsend gezegd tegen een manspersoon in een urinoir. Wanneer je je als man even wilt verwijderen wegens een eenvoudige sanitaire handeling, krijg je te horen, als je je tenminste bevindt in uiterst spiritueel gezelschap: ‘Laat hem niet vallen!’ (Jos Brink: Stukje voor stu...

2023-10-02
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

vallen

De verwensingen val dood!; ze moesten doodvallen!; laat ze doodvallen!; je kunt doodvallen!; val nou toch gauw gebakken!; val in bonken!; val in de sneeuw!; val in de stront!; val in de zeik!; val in de knoop!; ge kunt in een knoop vallen!; val kapot!; val van het dak!; val in mijn kastje! betekenen ‘stik!, je kunt met wat!, bekijk het...

2023-10-02
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

vallen

1. Als koppelww., in verb. met bep. bnw.: worden; - werkeloos vallen, werkloos worden (zie ook onder 2); - ziek vallen, ziek worden (gall., ter vert. van fr. tomber malade). Toen de Red Star Line met een gansche vloot kwam opdagen, verminderde het werk op de houten zeilschepen en Geert viel werkloos, VAN LOOY 1945, 6. De eera...

2023-10-02
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

vallen

(viel, is gevallen), (ook:) inzakken (een baksel). Dan is mijn keeks ( ) gevallen! Wat een schande... En ik heb nog wel zoveel lucht erin geklopt, Heer {Helman 1954a: 12).- : vallen op, komen op (een naam, een idee). Mevrouw Welch zelf vertelde iets over Pinksteren. Het koor sorry ik kan niet meer op de naam vallen was geweldig (WS 126-1982).

2023-10-02
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vallen

v., falie, foel, fallen; bruije, tommelje, tûmelje, trûdelje, trudelje, trûzelje, truzelje; zich metbezeren, jin (to)falle; zwaar —, jompe; hard —, gâns in smeet krije; komen te —, fan 'e fuotten, fan 'e soallen, ûnder (’e) fuotten rei...

2023-10-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vallen

(viel, is gevallen), I. uit een omhoog of hoger gelegen punt een meestal snelle beweging in verticale, of nagenoeg verticale richting aannemen, en zich hierbij aansluitende betekenissen; 1. uit een hoger gelegen punt, tengevolge van de werking der zwaartekracht, in verticale, of nagenoeg verticale richting vrij naar beneden komen:...

2023-10-02
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vallen

I. viel, i. gevallen (1 [snel] uit een hoogte naar beneden komen; 2 van water: zakken, dalen; 3 sneuvelen; bij uitbr. bezwijken, overlijden; 4 v. e. vesting enz.: veroverd worden; zich moeten overgeven; 5 v. e. ministerie: gedwongen worden ontslag in te dienen; 6 zondigen; 7 zijn, worden, koppelww.; 8 plaatshebben; 9 afslaan in prijs; 10 passen aan...

2023-10-02
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Vallen

of meervallen (Siluridae), een fam. van de orde der beenvisschen, bezitten een naakte huid; in den bek staan sterke tanden en aan de kaken hangen lange baarddraden. Zij leven in zoetwater. Hiertoe behooren: → meerval en → siddermeerval.

2023-10-02
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

vallen

(viel, gevallen) I. (is) Eig. 1. Algm. ten gevolge van de zwaartekracht van boven naar beneden komen: de bladeren beginnen te -; de hagel valt; er valt regen, sneeuw; de kruik viel aan stukken; in het luchtledige alle voorwerpen even snel; de avond valt, het wordt donker. ➝ aarde, appel, ben, blad, blinde, boom, galg, gat, geld, graat, hamer, heme...

2023-10-02
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Vallen

(viel, is gevallen), (onoverg.), 1. uit een hoger punt, tengevolge van de werking van de zwaartekracht, vrij naar beneden komen: in het luchtledige vallen alle voorwerpen even snel; (zegsw.) iets valt iemand in de schoot, hij krijgt het zonder moeite; aan of in stukken vallen; daar valt mij een steen van het hart, dat is een grote zorg minder; (in...

2023-10-02
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Vallen

van den Germ. wt. fal, Idg. (met voorgevoegde S) sphal = vallen, vgl. ’t Gr. sphalloo = ik val, stort neder.